Of bow ties & flip-flops

Le garçon     Het gonst en gaat zoals dat alleen in Parijs kan.

Men zou de stad verkeerdelijk kunnen bestempelen als ‘Europees’ of ‘Continentaal’. Er is slechts één correcte omschrijving: ‘Paris, c’est une ville très Parisienne.’ Tout court. Hierbij zou kunnen uitgeweid worden over de Notre Dame, de Seine, de buzz in Le Marais of de sfeer rond de Sorbonne, edoch: het aspect ‘Parisienne’ zit hem in het detail. Laat de loze veralgemenende bloemlezingen achterwege.

Café ‘Les philosophes’, Rue Vieille du Temple, een dinsdagnamiddag. Kwakkelweer, maar net voldoende om een plek op het terras te bezetten. Het is druk, een ratatouille van gesprekken van Pools tot Spaans tot – toch wel – Frans. Eenmaal gezeten, wordt de klant benaderd door ‘Le Garçon’.  Het inox dienblad op de gespreide vingertoppen van de linkerhand balancerend, de waterzon blikkerend in het oppervlak.

‘Le Garçon’ met hoofdletters dus: Kraakwit hemd inclusief zwart vestje, zwarte kostuumbroek met haarscherpe middenplooi, perfect geknoopte schort, geoliede en geborstelde zwarte schoenen in kwaliteitsleer (fabriqué en France, sans doute) en … vlinderdas.

Dit soort verschijning vraagt het bovenhalen van de Polaroidcamera, resulterend in een onmiddellijke post op de alombekende social media, mocht dat mogelijk zijn. Het beeld vraagt om gedeeld te worden; de wereld moet getuige kunnen zijn van ‘Le Garçon en tenue’ mét vlinderdas. Een man die bovendien weet dat de keuze tussen zwarte kousen en witte sokken geen keuze is, maar een uitgemaakte zaak.

De tenue met vlinderdas is de belichaming van ‘l’identité Parisienne’. Elk onooglijk café, elke bistro, brasserie, zelfs de ‘bar tabac’ heeft zijn vlinderdas. De zwart-wit tenue is het uniform van Parijs, het nog levende bewijs van een ware ambacht die wereldwijd een stille dood aan het sterven is: de kunst van het uitdossen, het puntje op de i zetten met de juiste tenue, dat bij wijlen tikkeltje dandyachtige.

(Ligt Oscar Wilde, moeder van alle dandy’s, niet begraven op Père Lachaise?)

Die Polaroidpost** zou een hogere missie vervullen, meer nog: een ware ‘révolution Parisienne dans le monde entier’ teweegbrengen. Als een rotitem als de flip-flop voeten van obers sieren van Bangkok tot Gent, dan schort er iets: het ontbreekt den mensch aan waardigheid, zelfrespect en ‘style’, quoi. Het valt de etablissementsbezoeker zwaar een gevleugeld gesprek te voeren wanneer hij benaderd wordt door een stel flapperende flip-flops.

Daarom: ‘Let the bow tie go viral!’

Laat dat onontbeerlijke aspect van die Parijse identiteit de wereld veroveren.

‘LET THE FLIP-FLOP DIE!’

 

**Die Polaroidpost: een veel waardiger alternatief voor de zoveelste post van met pap besmeurde kindermondjes – bespaar ons de close-ups van pamperinhoud – of de dertigste ‘vind ik leuk’ bij totaal irrelevante en waardeloze berichtgeving. Dit echter geheel terzijde.

De moeder van Sunshine

Het is geen geheim dat Aziatische vrouwen goed in de markt – en in het bed –  liggen bij menig blanke man. Over de begeerlijkheid van deze eerste leidt geen twijfel, de blanke man daarentegen, moet het al eens van iets anders hebben.

Het zijn harde werkers, deze mannen, daarom gunnen ze zichzelf af en toe een trip richting Thailand, Indonesië, … dat gebuurte. Voor de natuur, de zee, het ‘alles kan, niets moet’- gehalte, kortom: om de batterijen op te laden.

Ver weg van de verstrooiing van hun dagelijkse, westerse leven, zoeken ze andere verstrooiing op. En dat gaat moeiteloos. Een poging tot duiken, surfen (of gelijkaardige dure watersporten) wordt algauw gestaakt en ingeruild voor een strandbar met zicht op zee en binnenland. Vooral dat binnenland blijkt heel interessant te zijn omwille van de stralende verschijning der inheemse vrouwen die een mannenhart – en dies meer – doen zwellen.

Danny, een doorwinterde (lees: zijn mooiste jaren achter de rug) westerling kent de kneepjes van het vak.  Hij slurpt uitdagend van zijn glas Bintang-bier en probeert tegelijkertijd de blik van een voorbij flanerende inheemse schone te vangen. Langbenig is ze niet (geen van allemaal), maar wel slank gebouwd. En die ogen, jongens, die warmbruine, amandelvormige ogen en die zijdeachtige haren en die flukse handen! De inheemse haakt sneller dan verwacht haar blik in die van Danny en nadert. Bingo!

Een echt gesprek is niet aan de orde: Danny trakteert haar op een cocktail en daar zitten ze dan, samen slurpend. Zij kijkt met een gespeelde verlegenheid (Danny wordt er waanzinnig wild van) en verleidelijke blik van achter haar glas richting Danny en zegt: ‘Sunshine’. Danny doet even zijn best om enige verbale communicatie op gang te brengen en gaat in op het zonnige weer, het aangename klimaat, de verfrissende zee. Meteorologische info interesseert zijn gesprekspartner echter niet (ze luistert met vragende blik naar de vreemde woordenstroom) en plots onderbreekt ze Danny en zegt: ‘No, no! Me, Sunshine’ en wijst naar zichzelf.

Danny maakt dus kennis met Sunshine. Zou dat ‘Sun’ worden voor de vrienden?

Het voorspel in de strandbar is snel voorbij. Van verbale communicatie wordt even vlug weer overgegaan naar lichaamstaal, want Danny grijpt Sunshine bij de hand en neemt haar mee naar zijn strandhut: de idylle van eenvoud in vergelijking met zijn luxepenthouse in hartje Sydney. Back to basics, herbronnen, weet je wel.

Sunshine is gewillig, want vleit zich algauw neer op het bed en doet alras haar kleren uit. Danny heeft de tijd niet om nog geiler te worden dan hij al is. Sunshine ontkleedt ook hem in een wip en gaat vervolgens naarstig aan het werk. Eerst mond, dan hand, dan de rest van haar frêle lichaampje. Een ongekende ervaring. Nog nooit heeft hij het geluk gehad een Sunshine mee te tronen met zulks talent en snelheid!

Danny moet alle moeite van de wereld doen om zijn kruit niet voortijdig te verschieten. Daarom beslist hij om, voor één keer en per uitzondering, ook genot te verschaffen aan – in dit geval – Sunshine. Hij spreidt haar benen, legt zich in een goede houding voor het betere likwerk en nadert. Sunshines opgewonden  en exotische geur komt hem tegemoet. Moeiteloos dringt hij met zijn tong binnen. (Back in Sydney en elders in de wereld heeft Danny doorheen de jaren aardig wat techniek opgedaan. Hij haalt zijn beste trucs boven waarbij vingers en tong vaardig worden gecombineerd.)

Maar al dat geluk heeft een prijs.

Sunshine, zich aanvankelijk van weinig kwaad bewust, rustig benen spreidend en afwachtend, beleeft ook voor haar nieuwe, ongekende hoogten.

Dergelijke technische precisie en kunde heeft ze nog nooit mogen voelen en het duurt dan ook niet lang voor ze buiten zinnen is van opwinding.

Haar benen kronkelen (Danny heeft de grootste moeite van de wereld om zijn hoofd niet door haar bankschroefspasme te laten verpletteren), haar handen grijpen wild om zich heen en haken zich vast in het laken, en dan volgen de ultrasone kreten… Al likkend vraagt Danny zich af hoe ver haar hoge, scherpe stemgeluid zou dragen door de flinterdunne rieten wanden van de hut.

Eerst blijft het bij losse klanken, maar deze zwellen aan en eindigen in een mantra van ‘mummy mummy mummy!’

Danny zwakt – uit angst – de combinatie vinger – tong af naar alleen tong, maar het hek is van de dam. Sunshine blijft als in trance roepen om haar mummy, die hopelijk op dit eigenste moment geen strandwandeling in de buurt aan het maken is.

Zo plots als Sunshines extase opkwam, zo plots is ze verdwenen. Na de tweeëndertigste ‘mummy’ kwam ze klaar. Het laken scheurde, samen met Danny’s trommelvlies.  Hij kon net op tijd zijn hoofd in veiligheid brengen.

Danny kijkt vanop afstand naar Sunshine die eruitziet alsof ze in een coma is beland.

Het is al lang duidelijk dat van een wilde vrijpartij waarbij – naar goede gewoonte – de inheemse het werk doet, geen sprake meer zal zijn.  Had hij haar bij de start maar laten begaan! Dan had hij tenminste zijn orgasme gehad! Oké, te vroeg, so what? Maar nu: nada! Een halsbrekende befpartij met een om haar moeder schreeuwende vrouw die in coma belandt!

Wat als hij  nu uit de hut moet en iedereen hem aanstaart met een blik van ‘alweer een agressieve westerling die met zijn dronken fikken niet van de vrouwen kon blijven!’?

Danny beslist om Sunshine zo snel mogelijk uit zijn hut te zetten en zelf zo lang mogelijk binnen te blijven, zeker tot zonsondergang.

Hij moet haar meermaals stevig in de arm porren vooraleer ze uit naar comateuze slaap ontwaakt. Ze kijkt hem uiteindelijk met een verdwaasde, dronken blik aan, kleedt zich met haar jurkje van niemendal (hetgeen hij intussen al had klaargelegd, samen met het miniscule handtasje, om tijd te winnen) en grijpt naar het tasje.

Tot Danny’s verbazing graait Sunshine in haar handtas naar wat roepies  (2 dollar, snel omgerekend) en stopt deze in zijn – meest vaardige – hand.

In haar gebrekkige Engels zegt ze: ‘Very good sex, you good prostitute, thank you very much’.

Vervolgens stapt ze met zweverige en bevredigde tred naar buiten.

Een nieuwe plek voor zakjesman

Zakjesman is, al zo lang vele Gentenaars zich herinneren, een vaste waarde in het straatbeeld. Hij flaneert langs de Kortrijksepoortstraat en maakt af en toe de oversteek naar de Sint-Pietersnieuwstraat. Daar pendelt hij tussen de Vooruit en hogerop richting Jozef Plateaustraat. De straat is zijn (t)huis.

‘Flaneren’ is echter niet meer het juiste woord. Aanvankelijk leek het daarop, maar mettertijd is het ritme van zakjesman trag(isch)er geworden. Het werd een meer slepende pas, met aarzelingen en pauzes.

Samen met de baard en het haar werden de momenten van stilstand langer en het slepen ging over in een schuifelen, voet voor voet, de blik meer verdwaasd en minder gefocust.

Toch blijft zakjesman op onbekende wijze steeds opnieuw aan plastic zakjes komen: Aldi, Delhaize, Hema, … Winkelen doet hij er niet, dus die zakjes bereiken hem op een andere manier: vangt hij ze in de lucht, verdwaald vliegend ter hoogte van het voetpad? Is er een Gentenaar die het tot zijn dagtaak heeft gemaakt om zakjesman van zakjes te voorzien? Dat is onduidelijk.

Er is overigens sprake van een evolutie in de zakjes. Vroeger leek hij genoegen te nemen met een aantal grotere modellen die hij uitgebalanceerd in linker- en rechterhand hield. Maar de laatste jaren verkleint het model en vergroot het aantal. Zakjesman draagt steeds meer en steeds kleiner wordende zakjes, wat het schuifelen vermoedelijk ook bemoeilijkt.

Af en toe komt bij voorbijgangers beslist de drang naar boven om hem te verlossen van zijn kleinoden en in ruil te voorzien van een stevige, waterdichte trolley. Trolleyman klinkt echter minder sympathiek. En bovendien zou zakjesman zijn identiteit verliezen, zo zonder zakjes.

Nochtans kan ik me niet van de indruk ontdoen dat hij zichzelf– ook met zakjes – , als tijd door de vernauwing van een zandloper, ziet wegglijden.

De verdwazing, verwarring en leegte in zijn blik worden steeds verontrustender. Volgens de legende begon het – in een vorig leven – bij het tragisch overlijden van zijn zoon. Op dat moment werd ‘zakjesman’ (en met hem de verdwazing) geboren.

Hij begon te flaneren, aanvankelijk doelgericht. De voetpaden en verkeerslichten van de stad hielden hem letterlijk op het juiste pad. De stad, het verkeer, het gegons van voorbijgangers omarmden hem.

Maar langzamerhand werd de stad hem te veel, de omarming werkte verstikkend en zakjesman begon naast het voetpad te schuifelen, aarzelde halverwege het oversteken, staarde verdwaasd naar zijn kapotte schoenpunten om ten slotte rechtsomkeert te maken. Meer en meer hield zakjesman halt in het midden van de straat, in het oog van de storm.

De gehele aardkloot, met alles erop en eraan is hem te veel, té véél.

Zakjesman ziet geen opties meer, geen zijroutes waarlangs hij kan ontsnappen.

Een herfstige, heldere valavond in de Blaarmeersen – de groene long van Gent – zou hem daarentegen op verhaal kunnen brengen. De rode gloed die van de bladeren weerspiegelt in het water, zonder rimpeling.

De achtergebleven eenden die zich in groepjes richting slaapplaats begeven, onderweg stoppen voor een laatste snater of duik. Net na schemerdonker valt ook het gesnater weg en blijft de stilte over, samen met het diepbruine zwart van het water. Er is geen te veel.

Op een bankje, zakjes neerlatend, zou zakjesman gaan zitten, de ogen sluiten en luisteren naar het grote niks. De bladzijde omslaan.

Wat niet weet, niet deert, niet geneest

Menig medisch onderzoek vraagt al eens om een urinetest.

Hierbij denk ik niet zozeer aan hoogtechnologische wielrennercontroles – want, ‘in the name of dope’, zouden we coureurs niet gewoon laten koersen? – maar aan het simpele ‘potje plassen’ bij de huisdokter of in het ziekenhuis.

Bij de huisdokter kan dit in alle discretie. Hoewel, in een enkel geval bevindt het toilet zich vlakbij de wachtzaal, jammerlijk genoeg slechts voorzien van een flinterdunne deur, waardoor je alle inspanning van de wereld moet doen om zo geluidloos mogelijk het potje te vullen. Bijkomende gêne wanneer je met het potje in de hand, door de wachtzaal, terug naar het dokterskabinet moet.

Maar dat is slechts klein bier vergeleken met de beproeving die je in het ziekenhuis te wachten kan staan.

Enkele mogelijke scenario’s:

Bij de meer uitgebreide urinetest wordt al eens gevraagd om de urine gedurende 48 uur bij te houden en het verzamelde vocht nadien af te leveren in het labo. Doenbaar, zeker wel, alleen: om een onverklaarbare reden geeft het labo vaak een leeg recipiënt met een inhoud van een paar liter mee. Behoor je tot de actief werkende bevolking, dan betekent dit dat je de komende 48 uur rondzeult met een steeds voller wordend recipiënt. Vervelend, vooral bij een te kleine handtas of, voor het merendeel van de mannelijke bevolking: helemaal geen handtas. Om nog maar te zwijgen van een mogelijk risico op lekkage.

De ultieme urinesituatie kan zich echter voordoen bij, bijvoorbeeld, een meerdaagse medische studie voor een nieuw type medicatie.  Deelnemers laten zich vrijwillig opnemen in het ziekenhuis. Niet uit altruïsme – mee staan aan de basis van de genezing van patiënten met een gerelateerde aandoening is hun bezorgdheid niet – maar als een lucratieve bijverdienste, want dergelijke studies: dat schuift.

Het meest voorkomende testpubliek bestaat uit gezonde mannen tussen 30 en 40 jaar oud, van allerlei pluimage. Een allegaartje deelt gedurende een aantal dagen de ziekenhuiskamer, de roddel, de afstandsbediening, de verpleegster, de strak getimede onderzoeken en in sommige gevallen: de koelkast waarin de liters urine wordt bewaard.

Voorzien van identieke ‘bidons’ zullen de deelnemers, die rijkelijk beloond worden voor hun nauwgezette deelname aan het onderzoek, hun sappen koel bewaren in de gedeelde koelkast. Elke ‘bidon’ is voorzien van een etiket met de naam van de urinedonor.

Maar vergissing en verwarring ligt op de loer.

Een paar dagen verstrijken, nonchalance treedt op (‘waar had ik ook alweer…?’) , een opgekleefd etiket verdwijnt onopgemerkt. De beklaagde deelnemer die op dag 3 in de koelkast op zoek gaat naar zijn exemplaar, staat voor een moeilijke kwestie: mannelijke trots weerhoudt hem ervan de mededeelnemers aan te spreken om in kaart te brengen wiens fles waar staat; luidop het probleem beschrijven zorgt zo mogelijk voor nog meer schaamte en quasi zeker voor hoongelach. Rest slechts 1 optie: gokken, goed wetende dat de dure en strikt afgebakende medische test hiermee danig vervalst zou kunnen worden.

Alles weloverwogen beslist de deelnemer dat zijn mannelijke trots torenhoog boven alle andere criteria staat.

Hij neemt resoluut de eerste de beste fles zonder etiket, verdwijnt, vult, komt terug en plaatst stilzwijgend zijn nieuwe exemplaar achteraan in de koelkast, hopend dat dit alles onopgemerkt blijft. Wat niet weet, niet deert, denkt hij.

Deze rijke urinecocktail wordt achteraf onderzocht op verschillende parameters die de werking van het prototype medicijn bevestigen of weerleggen.  En jawel, de waarden kloppen, de pil in kwestie is klaar voor commercialisering, genezing binnen handbereik!

Je slikt een pil ‘getest en goedgekeurd’?  Wees sceptisch. Believers hebben meer kans op genezing.

Zomeracties

Begin juli betekent traditioneel de start van de grote zomeruittocht. Complete huishoudens verplaatsen zich in colonne vanuit de Lage Landen over de Route du Soleil om uiteindelijk neer te strijken in het warme Zuiden, dé plek die de sleur, besognes en onoverkomelijkheden van het afgelopen jaar volledig moet doen vergeten.

Eenmaal neergestreken volgt de totale ontplooiing: trailer verankerd in de grond, voortent uitgezet, klaptafeltje voorzien van een toile cirée tot de obligate bloembak met geraniums toe.  Vanaf nu voelt het gezin zich helemaal thuis en is klaar om er nog een betere vakantie dan die van vorig jaar van te maken.

Ook nu heeft de vrouw des huizes zich naar goede gewoonte gewapend met vakantielectuur, deze keer heeft ze het echter over een andere boeg gegooid. De reeks ‘Vijftig tinten grijs’ was vorig jaar al gelezen en met Agatha Christie kan men zich heden ten dage ook niet meer publiekelijk vertonen, toch? Er is betere lectuur op de markt, lectuur waarmee ze zelfs op camping in de Ardèche kan scoren. Lectuur die perfect aansluit bij de moeilijke momenten in het leven, de dagelijkse worstelingen van de vrouw, echtenote van én moeder van. Geslaagd in het leven, maar worstelend, dat wel.

De vrouw was nog snel, de dag voor het vertrek (tussen het strijken van de laatste sokken en het opduikelen van de bikini), de betere boekhandel binnengewandeld om zich te laten verleiden tot enige non-fictie. Auteurs legio die het lichtpunt in de duisternis van ieders leven willen zijn, niet verlegen om wat extra advies of het delen van ervaringen, troost en een schouderklopje biedend.

De rekken van de boekhandel (en bij uitbreiding aan de kassa’s van Carrefour en Delhaize) bulken van het aanbod. Want boekhandels en supermarkten hebben de handen in elkaar geslagen met auteurs van zoveel levenswijsheden voor het opzetten van de intussen bekende zomeracties: 2 boeken kopen + 1 gratis!

Gezien de vrouw het afgelopen jaar niet verder is geraakt dan het Nieuwsblad en Burda (breien is weer hip!), komt het niet op een boek meer of minder, goed wetende dat het quasi onmogelijk wordt om alle lectuur in die 10 dagen Ardèche – terwijl vader petanque speelt met zoonlief en de vijftienjarige dochter op jacht is naar jonge adonissen  – verwerkt te krijgen. Maar bon, nadien, eenmaal terug in de dagelijkse sleur, zal de nood aan advies en troost zo mogelijk nog groter worden, dus niets verloren.

Het is bovendien moeilijk kiezen uit dat overweldigende aanbod: ‘Mijn leven is een chaos’; ‘Breken met je ouders’ ; ‘Als seks verslavend wordt’; ‘Een goede band met je tiener’ etcetera. Voor ieder wat wils.

In blinkende folders, via mailingacties en op grote billboards wordt de klant overdonderd met advies om zijn leven op de rails te houden, dat alles voor een spotprijs.

Waarom vragen stellen als de vragen worden opgelost door simpelweg een boek te lezen? En bij de titel ‘Als seks verslavend wordt’ krijgt de vrouw in kwestie het boek ‘Breken met je ouders’ er gratis bovenop. Een waar feest.

De vrouw, gezeten in één van de plooistoeltjes in de zuiderse namiddagzon (ingesmeerd met Vichy factor 50, want ze had ergens gelezen dat dat het beste product op de markt was), verdiept zich in ‘Breken met je ouders’. Het boek was niet te dik en lag ze al niet jaren in de clinch met haar moeder, was het niet ongelooflijk moeilijk communiceren met haar vader? Dit boek kon misschien een oplossing bieden voor dat vervelende euvel.

Maar de warmte weegt, de namiddag zindert, de aandacht verslapt en de slaap overmant. Dan is er alweer een uitstap gepland naar een naburig dorp of volgt een verbroedering met het huishouden aan de rechterzijde en ‘s avonds moet er uiteraard tijdig aan eten gedacht worden.

De lectuur en het oplossen van de levensvraagstukken vorderen langzaam.

Na 10 dagen Ardèche heeft de vrouw een derde van ‘Breken met je ouders’ achter de kiezen, de eerste 14 bladzijden van ‘Een goede band met je tiener’ en de intentie om aan ‘Als seks verslavend wordt’ te beginnen.

De vakantie was daarentegen nog beter dan vorig jaar.

De boekhandel heeft intussen zijn winst ook verzilverd.

 

Epiloog

Na een hoogoplopende ruzie met dochterlief, een viertal weken na thuiskomst, voelt de vrouw zich werkelijk gespannen en gestrest.  Ze beslist om bij haar huisdokter langs te gaan, want heeft ze niet ergens gelezen (was het in één van die boeken op vakantie?) dat er een natuurlijk middel zou bestaan om stress ten gevolge van familiale spanningen te verminderen? Homeopathisch zelfs, meende ze zich te herinneren. Dat zou haar werkelijk goed van pas komen, want het leven is er niet gemakkelijker op geworden.

De witte raaf in elke grijze duif

Een gekend tafereel op een namiddag in de vroege lente – eerste zonnestralen, maar toch nog een fris windje – in de speeltuin:

Een kleuter loopt, stevig ingeduffeld in muts, sjaal en winterjas, als een kamikaze af op het klimrekje en probeert zijn nog iets te kleine handjes te sluiten rond de tweede sport van het rek. Tegelijkertijd zoekt het korte rechterbeentje steun op de eerste sport. Het kind probeert zich op te trekken, de blik hoopvol naar boven gericht, naar het einddoel. Dat het een lastige onderneming wordt, is overduidelijk, maar dat weet het kind nog niet. Het klautert, grijpt, schuift weg en grijpt opnieuw, en raakt langzaam maar zeker halverwege het rek. De bovenste sport, de top van de wereld, komt dichterbij. De kleuter kraait van plezier.

Maar dan krijgt mama in de gaten wat haar nageslacht – waar alle hoop en aandacht op is gevestigd – probeert. Ze snelt in volle paniek richting klimrek, onderwijl roepend naar haar kleuter dat het daar veel te gevaarlijk is, dat hij wel eens hard op zijn poep zou kunnen vallen, dat het klimrek voor de grote kindjes is. Tegen de tijd dat mama aangekomen is bij de crime scene, hangt de eerst zo onverschrokken kleuter verkrampt en huilerig halverwege het rek. Moeders woorden sloegen in als een bom, maar toch geef hij zich niet zomaar over. Het kost alle moeite van de wereld om de kleine van het rek te trekken en op moeders arm te planten, van waar hij uitgebreid gewezen wordt op alle gevaren. De sjaal wordt nog vaster geknoopt, de muts nog iets dieper over het voorhoofdje getrokken. De speeltijd is voorbij.

Op datzelfde moment, iets verderop in dezelfde stad, spreekt Fons Leroy, topman van de VDAB – zonder winteruitrusting, maar in maatpak –  een publiek toe dat bestaat uit academici en hogeschoolmedewerkers. In zijn toespraak pleit Leroy voor een grotere aansluiting tussen het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt en de man heeft een visie over hoe dat dan wel gerealiseerd moet worden. Daar heeft hij over nagedacht: niet altijd van achter zijn bureau, al lezend in vakliteratuur, maar ook tijdens de zondagse fietsrit (Leroy is een wielerfanaat), tijdens het ontbijt, kauwend op een croissant schoot hem al eens een goed idee te binnen. Het waren momenten waarop hij figuurlijk achterover ging leunen en zijn gedachten kon laten vlotten in de speelruimte van zijn hoofd.

Speelruimte is een woord dat Leroy dan ook graag gebruikt: kinderen en jongvolwassenen moeten de kans krijgen om hun talenten te ontwikkelen, om via ‘trial and error’ te ontdekken wat ze graag doen, waarin ze goed zijn. Het onderwijs moet hen speelruimte bieden om dat te doen. Geef ze verantwoordelijkheid en zelfstandigheid. Geef ze een duwtje in de rug als het nodig is, moedig hen aan, geef advies, maar laat ze zelf van het rek donderen en verderklauteren.  Alleen dan zal de arbeidsmarkt bevolkt worden met werknemers die voor zichzelf kunnen denken en hun job zelf vorm durven geven.

‘In alle grijze duiven zit een witte raaf’, orakelt Leroy. Laat de duif zelf ontdekken welke witte raaf er in hem schuilt. Laat de speeltijd beginnen!

Ik zou de heer Leroy met aandrang willen vragen om niet alleen in aula’s van universiteiten, in radioprogramma’s of op werkgeversbijeenkomsten zijn verhaal te doen, maar zijn spreekgestoelte te verhuizen naar speeltuinen overal te lande, want daar worden al te vaak witte raven dood geboren.

Kinderbijslag

Voetafdrukjes van nieuwe telgen bij familie-uitbreiding sieren menig geboortekaartje, nog steeds. Het is niet helemaal duidelijk waar deze traditie vandaan komt, noch hoe die afdruk precies op het kaartje terechtkomt.

Het kan op de volgende – vrij hardhandige – wijze bewerkstelligd worden: het poezelige kindervoetje wordt gedoopt in zwarte inkt, de enkels geklemd tussen de sterke handen van de hoofdverpleegster ‘materniteit’. Vervolgens wordt het voetje met het nodige geduw en getrek geperst op een dik vel papier. Ten slotte ligt het kind dagenlang, gehuld in kraakwitte lakentjes, gebrandmerkt met een ‘zwarte’ voet. Of deze voorstelling strookt met de realiteit, is echter niet zeker.

Wat wel zeker is, is het sponsorship van de Belgische staat dat volgt op een geboorte: allereerst wordt de kersverse moeder getrakteerd op het zogenaamde kraamgeld. De website van Kind & Gezin – al jaar en dag een instituut in Vlaanderen – geeft de volgende definitie: ‘Een geboortepremie is een eenmalige som die ouders krijgen bij de geboorte van een kind. Deze premie wordt ook kraamgeld genoemd. De geboortepremie bestaat zowel voor werknemers als voor zelfstandigen. De bedragen zijn voor beide hetzelfde.’

Het economisch profijt van het ontvangen van kraamgeld blijkt hieruit heel duidelijk: men ontvangt simpelweg een ‘eenmalige’ som. Schitterend, hoewel het geheel onduidelijk is welke kosten deze som dan precies moet dekken: de aankoop van outfitjes, pampers, het bekostigen post-zwangerschaps-kinesitherapie? Dat kiest men zelf.

Maar hierbij stopt het niet. Na het ontvangen van het kraamgeld heeft, alweer volgens de website van Kind & Gezin, iedereen die (een) kind(eren) heeft, recht op een maandelijkse toelage, kinderbijslag genaamd. De site stipuleert ook dat het bedrag ‘trapsgewijs oploopt van het eerste tot het derde kind’.

In een Westerse samenleving die almaar veroudert, is het duidelijk dat de Belgische staat ervoor kiest om gezinsuitbreiding te stimuleren  en meewerkt aan de cultuur van de vergoddelijking van het kind. Hoe kan dat beter dan via een sponsorship? Economische principes vormen uiteindelijk het draagvlak van de hedendaagse samenleving.

Naast gezinsuitbreiding worden ook pensioenen, ziekte, werkloosheid .. ‘verloond’. Dat deze financieringen het risico op een failliet van de staat enorm vergroten, is een probleem waar men in 1930, bij de oprichting van de kinderbijslagfondsen, zeker niet heeft bij stilgestaan. Dit echter geheel terzijde.

Wat echter nog meer tot nadenken stemt in tijden waarin begrippen als ‘duurzaamheid’, ‘verantwoord consumeren’ en ‘verkleining van de ecologische voetafdruk’ te pas en te onpas worden gebruikt, is hoe verantwoord het als overheid is om een project te sponsoren waarvan bij voorbaat is geweten dat het een van de grootst denkbare ecologische voetafdrukken achterlaat. In dezen is Etienne Vermeersch – Vlaams ethicus, filosoof, scepticus – de relevante luis in de pels.

Erg charmant, dat inktzwarte voetafdrukje dat vanaf dag 1 wordt vastgelegd, maar vanaf datzelfde moment exponentieel gaat vergroten. O ironie!

Hoe pervers is het om als staat moord en brand te schreeuwen bij de opwarming van de aarde, geld te investeren in ‘duurzame’ projecten en tegelijkertijd kinderbijslag uit te keren.