Tweevoud (kortverhaal)

Het gezoem van de stad werd overstemd door het luide getrommel van dikke regendruppels tegen het raam op zeven hoog. De wind blies de regen frontaal richting vensterraam en zorgde voor een alles overstemmend geroffel. Het bracht hem uit zijn concentratie. Sinds meer dan een uur zat hij in zijn leeszetel, krampachtig pogingen ondernemend om te lezen, onder het licht van de leeslamp die in dit grijzige natte daglicht amper voldoende was om woorden comfortabel van de bladzijden te plukken. Zijn gedachten dwaalden steeds opnieuw af, richting geroffel op het raam, natte gezoem van auto’s beneden, richting haar. Het gebeurde regelmatiger dat ze zich een weg baande doorheen zijn dagdromen en hersenspinsels. Lang had ze zich vrij afzijdig gehouden, maar ze dook weer op, op onbewaakte momenten, zoals nu. Zij.

Zoals ze liep, energiek, haar tengere lichaam krachtig op en neer verend, zo waarde ze door zijn hoofd. Ze keek hem indringend aan, net als toen. Haar blik was soms zo donker, diep en zwaar dat hij moeite had zijn ogen van haar weg te houden. Zelfs in zijn dagdromen leek dat kijken levensecht.

Hij vroeg zich af waar ze nu was, wat ze nu deed en welke kleuren ze droeg. Hij herinnerde haar felle kleuren. In de jaren waarin ze samen veel tijd hadden doorgebracht verscheen ze in de meest uiteenlopende outfits, als een spel. Hij vond het amusant en steeds verrassend hoe ze erin slaagde nét iets anders dan anders voor de dag te komen.

Welke woorden zou ze neerschrijven? Zou haar stijl zijn veranderd? De tien jaar sinds het afscheid lijken een keerpunt aan te kondigen, dat is de verklaring die hij gaf aan haar steeds regelmatiger verschijnen in zijn hoofd.

Het was bloedheet en de hitte maakte de lucht vloeibaar. Zelfs het gebladerte van de twee grote palmbomen die het terras half overschaduwden, kon geen verkoeling brengen. Geen spoor van een zuchtje wind, slechts verzengende namiddaghitte. De krekels leken hun luide tjirpen te hebben opgegeven. Het boek was al meerdere malen uit haar handen gegleden, want de hitte maakte haar slaperig. Toch bleef ze verwoede pogingen doen om verder te lezen. Het boek was van een Japanse auteur die ze onlangs had ontdekt, Yasunari Kawabata. De man had zichzelf al meer dan 40 jaar geleden van het leven ontdaan, maar zijn literatuur was levendiger en vernieuwender dan ooit. Ze hield van de Japanse esthetiek die zelfs tot in de fijnste lagen van de literatuur doordrong. Ze probeerde het zelf, wanneer ze schreef, maar haar bewoordingen konden nooit de Japanse verfijning evenaren.

Ze vocht tegen de namiddagwarmte en tegen de lichtblauwe ogen die haar van diep vanbinnen, als uit een steeds dichterbij komende herinnering aankeken. Maar ook altijd weer op het laatste moment wegkeken. Zo herinnerde ze zich zijn blik. Hij stond haar haarscherp voor de geest. Hoe hij wegkeek, alsof er een ongemakkelijkheid door zijn lijf trok. Een angst om indringend te worden aangekeken. Maar telkens als ze zich omdraaide, voelde ze hoe zijn ogen haar volgden. Ze had altijd perfect geweten wanneer zijn blik zich van haar wegtrok.

Hij dook op wanneer ze het niet verwachtte, wachtend voor een verkeerslicht of op de fiets terwijl haar gedachten afdwaalden. Hij was terug van nooit echt weggeweest en na tien jaar leek het erop dat hij aan een rentrée was begonnen.

Glimlachend dacht ze terug aan die tijd van veel tijd samen. Zijn blik die ook haar outfits keurde en waarbij hij soms een vreemde opmerking maakte. Ze herinnerde zich hoe ze toen vooral zwart en wit droeg. Af en toe prangde ze er een felle kleur tussen, maar meestal had ze het sober gehouden, omdat haar gedachten al fel genoeg waren. Die soberheid moest voor balans zorgen. Hoe zou het hem nu vergaan? Ze had al heel lang niets meer van hem gehoord. Toen ze hem een laatste keer had gemaild, was er alleen maar stilte gevolgd.

Ze had nooit geantwoord op zijn laatste mail. Dat betekende niet echt iets. Hoewel ze al die jaren geleden afscheid hadden genomen, was dat voornamelijk fysiek geweest. Geestelijk waren ze voortdurend in gesprek gebleven. Het afscheid dat geen afscheid was geweest. Het was een fijne, rustige vakantiedag die ze voornamelijk in de stilte van elkaars gezelschap aan het strand hadden doorgebracht. Ze wisselden lezen af met wegdommelen en keken naar de vissersboten die af en aan kwamen. Hijzelf had Stephen Fry gelezen en zij waarschijnlijk een schrijver uit de Lage Landen. Dat las ze toen constant, meende hij zich te herinneren.

Toen de zon het hoogst stond was de wind die de palmbladeren deed ruisen ook helemaal stilgevallen. Pas in de vooravond, wanneer het licht roder werd, de schaduwen scherper en er een roze lijn aan de horizon verscheen, trokken ze hun loopschoenen aan en jogden ze langs de vloedlijn naar het andere eind van het strand. Ze waren hand in hand terug gewandeld, de zilte kleverigheid van hun handen negerend. Hij had haar tersluiks aangekeken, met zijn blik de scherpe lijn van haar kaakbeen tot aan haar oorlel volgend, daarachter de blauw-paarse gloed van de zee. Ze had haar gezicht plots naar hem toegekeerd en hem glimlachend aangekeken. Met de rug van haar hand had ze vluchtig langs zijn kin gestreken. Op die onbewaakte momenten van lichte aanraking leek er soms een enthousiaste gekte in haar blik gevangen te zitten. Ze zei echter nooit een woord te veel. Het was van een fascinerende, maar tegelijkertijd beangstigende intensiteit. ‘Ik ga weg’, had ze terloops gezegd toen ze bijna opnieuw aan hun kant van het strand waren.

Die vakantie herinnerde ze zich nog heel goed. De geur van het teakhout van hun strandhut, de warme bries die amper voor verkoeling zorgde, de vissersboten en zijn blik die, als vanouds, peinzend in de leegte tuurde. Ze had zich vaak afgevraagd of er dan iets in zijn hoofd omging. Of hij nadacht of slechts de leegte leger liet worden. Hij was ongetwijfeld de zoveelste Irvin Yalom aan het (her)lezen. Elke dag hadden ze valavond op het strand doorgebracht, ingepakt door de paars-roze gloed die de ondergaande zon op het nagenoeg gladde wateroppervlak achterliet. De kleine baai, afgezoomd met hoger liggende rotspartijen en tropisch gebladerte kende bijna geen stroming. Ze zag opnieuw hoe het avondlicht zijn trekken scherper en donkerder maakte, alsof iemand met houtskool extra contouren had aangebracht. De lange lijn die van aan zijn slapen naar zijn kin liep, de fijne neus en het hoge voorhoofd, allemaal net iets intenser dan bij volle daglicht. Dat had ze altijd mooi gevonden. Ze snorkelden in de vroege ochtend en liepen net voor het donker werd. Tijdens een van hun snorkeltrips, dobberend in de boot, met nog een spoor van ochtendfriste in de lucht, had ze de behoefte gehad om een gedachte waar ze al een tijd mee speelde met hem te delen. ‘Ik denk erover om weg te gaan’, had ze gezegd.

Eerst had hij niks gevoeld, noch gedacht. Dan had hij gevraagd waarheen ze van plan was te gaan. Het antwoord had op zich laten wachten. Toen was hem langzamerhand een somberte bekropen. Niet zozeer omdat ze wegging, dan wel omdat het hem met zijn eigen stilstand had geconfronteerd. Een misplaatste vorm van gelatenheid waardoor hij af en toe dingen liet gebeuren die met een minimum aan inspanning een andere uitkomst hadden kunnen hebben. Maar zij vertrok gewoon, zij deed, kwam en ging. Kaapstad, daar ging ze heen. Ze sprak erover met opwinding in haar stem, een kinderlijke blijheid, alsof de graal daar te vinden zou zijn.

In de dagen nadien leek ze dichter naast hem te lopen, meer strelingen en aanrakingen te stelen en hem dichter tegen zich aan te trekken in bed.

Het was een periode van verwarring geweest waarin ze er behoefte aan had gehad om met hem te spreken. Waarheen ze precies ging, dat wist ze toen nog niet, maar ze noemde plekken waarvan ze soms droomde of waar ze zichzelf doorheen de straten zag fietsen. Berlijn, Kyoto, Kaapstad. Uiteindelijk, maanden later, werd het Kaapstad.

Hij had haar allerlei vragen gesteld, alsof het vraaggesprek de doorslag moest geven voor de uiteindelijke beslissing en dus een onvermijdelijk deel van het proces uitmaakte. Nooit had hij in woorden uitgesproken wat hij van haar plannen dacht, maar in de dagen nadien leek hij haar vaker tersluiks aan te kijken, haar bij de hand te nemen en haar dichter tegen zich aan te trekken in bed.

Wat toen echt duidelijk was geweest, was het gemis. Van voor het was begonnen.

Wat toen echt duidelijk was geweest, was het gemis. Van voor het was begonnen.

De tijd na die vakantie was een vage, verre herinnering. Het leven ging verder en zij deden wat ze deden. Zijn genegenheid voor haar was van een onuitsprekelijke orde. Daarom spraken ze er nooit over. Woorden zouden toch alleen maar halfslachtige pogingen tot benoeming zijn en tot een ongepaste, holle symboliek leiden. Hechten is lijden en beperken, vond hij. Maar ze was toch maar netjes in de plooien van zijn leven gesijpeld. Hij vermoedde dat het bij haar was zoals bij Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre, een uitwisseling, een versterking, tot zolang het tweerichtingsverkeer er mocht zijn.

Ze deden wat ze deden, als altijd, ook na die vakantie en in het licht van haar vertrek. Haar plannen werden langzamerhand concreter, praktische voorbereidingen werden getroffen. Maar hij en zij, ze bleven aan hun stille tempo door de dagen ploegen. Haar genegenheid voor hem was van een onuitsprekelijke orde, maar nooit goot ze dat in woorden, net om het te laten zijn. Ze ging ervan uit dat hun uitwisselingen voor hem hetzelfde betekenden als de rol die Simone de Beauvoir voor Jean-Paul Sartre speelde. Een heen en weer bewegen dat nooit stopte maar de dingen in balans hield. Hechten is lijden en beperken, vond zij. Maar hij was toch maar netjes in de plooien van haar leven gesijpeld.

Toen vertrok ze. Hij had haar in zijn armen gesloten en zich vermand. Hij had ’succes’ gefluisterd in de warmte van haar hals. Ze had hem met een natte blik aangekeken en was toen met stevige tred richting paspoortcontrole gestapt. Ze had zich heel even omgedraaid en met weemoedige glimlach op de lippen naar hem gezwaaid. Lang nadien bevond hij zich nog steeds op dezelfde plek, starend in de verte.

Op de luchthaven was de toon luchtig gebleven tot ze aan de paspoortcontrole kwamen. Ze had hem lang in haar armen gesloten, zijn geur op haar netvlies gebrand. Ze had zich proberen vermannen, maar stille tranen hadden over haar wangen gerold. Hij had haar weemoedig aangekeken en haar een klein duwtje gegeven. Terwijl ze weg  stapte had ze zich doorheen de warme tranenvloed omgedraaid en breed glimlachend naar hem gezwaaid. Geluidloos had ze ‘vaarwel, tot gauw’, gezegd.

Hij beeldde zich in wat hij zou zeggen mocht ze straks weer voor voor hem staan. Hij zou haar tegen zich aan trekken, met zijn rechterhand haar wang omsluiten en zacht vragen: ‘Hey, hoe gaat het met je? Blij je te zien.’

Ze probeerde zich voor te stellen wat ze zou zeggen mocht hij straks naast haar verschijnen. Ze zou zich door hem laten omarmen, met haar linkerhand langs zijn kin strijken en zacht vragen: ‘Hey, hoe gaat het met je? Blij je te zien.’

Where will the hammock go?

Two bikes, a kayak, books (although I made myself a promise of only reading e-books), a decent amount of shoes, two chairs and a hammock. Soon, it will be three years since I arrived in Thailand with just two sports bags.

We are hoarders, we like stuff. Even someone like me, who swears upon ‘L’enfer, c’est le brol.

Another relocation is approaching, the ideal solution for the stuff problem. Give away, throw away or sell. Et voilà!

It won’t be my first relocation, I have done quite a few so far. Admitted, each time I move, some residue ends up in my parent’s attic. My mother has the notorious reputation of not wanting to throw anything away. My stuff is thus in safe hands, although I am convinced that my father owes a considerable amount of his grey hair to that attic and the banana boxes that come and go. Sorry, dad. Maybe, and hopefully for you, you’ve been secretly burning boxes on a pyre for years now.

Top notch criminals are sometimes relocated to a new prison, hands and feet chained in heavy metal. Quentin Tarantino style. Something similar is about to happen to me, yet voluntarily and unchained, from Thailand to a still unknown location. The ultimate freedom, I hear you thinking. The world is smiling at me, I can go anywhere, from Barcelona to South-Africa.

However, it is impossible to free myself from this earthly existence and ‘n’importe où, l’enfer, cela pourrait toujours être les autres, pas seulement le brol.

But places look differently, mountains are craggier, valleys deeper, rivers a different kind of blue and the sun sharper.

Of all the stuff I have gathered, I will surely take my hammock with me so I can stare at the welkin whilst rocking, tracing unknown constellations, listening to another kind of breeze and smelling mysterious smells. There is no need for man to do that.

This article was commissioned by Vlamingen in de Wereld and is published in the March-edition of their magazine.