Why South East Asia urgently needs its own Ruby Rose

Asian

USAG- Humphreys (CC by 2.0)

Somewhere between the cuteness of Hello Kitty and the lusty image of a slutty mainstream backup dancer in a pop music video (“want me, want me!) female body, is the stereotype female image that South East Asia portrays today. The cliches couldn’t be more obvious, the time has come for an Asian Ruby Rose.

Recently, our international school organised its yearly Dance Fest, a dance festival by and for international students from the Chiang Mai area. From the first performance the stage was: naked belly’s, tight jeans, suggestive pelvic thrusts, long hair fiercely going from left to right and too much makeup. Seems harmless enough, except for the fact that the average age of the dancers was about fourteen! There’s something fundamentally wrong with the image of the female amongst Thai, Korean and Chinese girls, collectively they are all buying into the same statue quo of manufactured consent.

From Hello Kitty in one straight line to Playboy

Thailand has a reputation of being a country where sexual freedom and deviancy are limitless; where ladyboys are part of the natural streetscape scenery, gay and lesbian, heterosexuals, and everything in between aren’t considered taboo. Where numerous western men fall in love with girls young enough to be their grand daughters.

Nevertheless  Hello Kitty and Minnie Mouse are still the uncrowned queens of the country.

Next to the ladyboy, who is walking hand in hand with his/her boy/girlfriend, there’s the woman – fully grown up – wearing a Hello Kitty T-shirt and Minnie Mouse socks. To her, this image of a scantly dressed hooker is shocking, and their prudery complete.

In this contradictory landscape, a new generation of girls is going through their teenage years. They are Thai, but also Korean and Chinese. They have to try and find their identity amidst these extreme stereotypes. Gotta do it.

Beyoncé is a role model, but also the enormously popular ‘K-Pop’ bands (Korean pop music that influences most of South East Asia), and the rest of the world. K-Pop is a crossover between Korean and western pop music, dipped in a sauce of lust and fierce hip movements, even the occasional private-parts groping. The pop stars are teenagers themselves and they are the examples to the girls in our classes. For the Dance Fest, the majority of the girls clearly found their inspiration in mainstream K-Pop choreographies.

The worries of the school girls

The girls in our classes are intelligent, open minded and are preparing themselves for an international academic career. All good, except for the illusion they have of who they think they should be.

I occasionally overhear conversations in between classes: often it is about the latest makeup purchase, the newest whitening cream because – God forbid – a suntan is evil itself. While gallons of self tanning cream are being purchased in the West, here ‘whiter than white’ is the ideal.

In our school uniforms are mandatory. Which is fortunate, because otherwise we would have to fight a daily battle against tight shorts (or are they underpants?), naked belly’s, clubbing outfits and cleavage.

All this to illustrate that the ideal of what a female should look like in South East Asia is getting out of hand, or better yet has fallen into the wrong hands. This has to do with the Asian image culture, that promotes an absurd and short-sighted image of the female. Fashion also plays an important role: the female uniform today is tight jeans, high waisted pants, short shorts, and naked belly. The only alternatives are the extreme opposite, Minnie Mouse and Kitty.

Underneath all this, there’s a spooky white skin. That’s who girls want to be. Or: what they think they want to be. There are hardly any exceptions.

Ruby Rose to the rescue

In the West, Ruby Rose is mainly known because of her striking appearance in the popular series ‘Orange is the new black’, but that is not her only achievement. Ruby Rose is a DJ, model, actress, but most importantly, a symbol for the breach of the female status quo. Her short movie Break Free is a beautiful symbolic campaign to promote genuinity. It explicitly says no to short-sightedness and narrow-mindedness.

Being a woman or a man is a state of mind, but it has become a social label. For South East Asian girls, being a woman has been reduced to a trashy piece of meat ideal, which in reality is impossible to attain.

Ruby Rose, can you send your Asian twin sister to this side of the world, please?

I am neither a feminist, nor a suffragette, nor a female rights activist. I was born in a female body and I am happy with that. I have short hair, a few tattoos, I like motorbiking and I detest pink. But I also love high heels, a tight dress from time to time, and I am not afraid to show some cleavage.

Therefore, to all of our school girls: just say NO to the status quo!

 

This is an adapted translation of the text that was published in Dutch on the Belgian website www.mo.be in June 2016.

Advertisements

Afscheid van een vriend

Drie jaar lang waren we erg dik, jij en ik. We deelden lief en leed, regen en wind, tropische hitte en zon. We bewandelden samen velerlei paden, dwars door het bos, recht naar het zuiden, noord, oost of west, smalle en bochtige bergwegen, brede en drukke hoofdstraten naar de stad.

Meestal genoten we van elkaars gezelschap in stilzwijgen, af en toe neurieden we samen. Zelden vloekten we (behalve die ene keer toen we vielen, in het bos, uitgegleden in een modderige geul), want we waren content dat we de lucht mochten proeven en het gebladerte mochten ruiken. De geur na een moessonbui, de verschroeide stank na te lang rijden in de zon.

Je hielp me met reisbagage, boodschappen van de Makro, een iets te groot uitgevallen passagier, een boot, reserveonderdelen. Je was sterker dan toen ik je voor het eerst ontmoette. Toen had je al meer dan dertig jaar tocht achter de kiezen en dat was eraan te zien. Je kreunde van de ouderdom en je miste meer dan een paar vijzen. Maar we sleurden je erdoor.

We gaven je een motortransplantatie, nieuwe velgen, een kilometerteller.

Vanaf dan behoorde je tot de categorie 200 cc, weliswaar van Lifan-makelij, niet meteen de Rolls Royce onder de motoren, maar degelijk. Betrouwbaar.

Weet je nog die keer, toen we langs de Birmese grens in niemandsland stilstonden? Tropische jungle zo ver we konden kijken. 4 mannen doken uit het niets op, één ervan een machete in de hand. Ik verschool me breeduit glimlachend achter je smalle rug. Jij, jij was vooral bezig met afkoelen na 160 km ruw wegdek. Het viertal kwam dichterbij en bleek vooral geïnteresseerd in jou. Met pretogen streelden ze je tank, liepen rondjes rondom jou. Ik bleef angstvallig glimlachen.

Of die keer, toen we plots aan de oever van de Mekong-rivier stonden. Het was valavond na een lange rit, de zon gooide zich een laatste keer vol overgave in de diepte van de Mekong en toen werd het licht duister. We stonden daar, perplex, we waren zo klein, vergeleken met die grote rivier. We werden er stil van en besloten een nacht te blijven.

In Kanchanaburi, aan de River Kwai, toen waren we trots. We hadden zoveel afstand overbrugd, jij en ik, we reden helemaal langs de desolate Birmese grens van noord naar zuid tot we er kramp van kregen. We stopten voor een ijsje, reden doorheen velden en heuvels richting de Kwai-vallei. We parkeerden aan het treinspoor en dachten aan oorlog.

Vorig jaar kreeg je rode vering. Die gaf je een ‘kinky touch’. Je kreeg plots net iets meer glamour te midden van het stof.

We hadden ontelbare lekke banden, een aantal elektrische storingen, een losgekomen bagagerek, een zoekgeraakte bout op een cruciale plek, maar we genoten 13 000 kilometer lang van elkaars gezelschap en zagen het echte Thailand, van heel dichtbij.

Om de woorden van een andere vriend te gebruiken: ‘Samen zaten we in de televisie in plaats van ervoor.’

Het ga je goed,
Je trouwe amazone
bike

Van Thailand naar Tanzania

De kogel is door de kerk, er is witte rook, de koe is bij de horens gevat.
Ik verkas naar Tanzania na drie jaar in Thailand te hebben vertoefd.

Wat een sprong, denkt u? Die is kleiner dan u zou verwachten. Allereerst blijf ik bij dezelfde letter van het alfabet en ook, eenmaal je in het internationale onderwijs terechtkomt, kan het letterlijk alle kanten op.

Vroeger hoorde ik al eens van reizigers dat er zoiets bestaat als ‘de roep van Afrika’. Ze beweerden dat eenmaal je op het Afrikaanse continent voet aan land had gezet, er slechts twee opties zouden zijn: ofwel zo snel mogelijk terug naar huis willen keren, ofwel dat hartverscheurende moment waarop je naar huis móet, terwijl alles zegt dat je daar en dan wil bijven. Ik vond het altijd wat vreemd en lichtjes overdreven. Met zelf veel te reizen heb ik heel wat plekken bezocht die ‘bleven plakken’: Kyoto, Barcelona, Angkor Wat, Gent, Annapurna. Maar nooit kwam het tot een hartverscheurend afscheid. Slechts een kleine, snel weggepinkte traan en … moving on.

Tot ik eind vorig jaar naar Zuid-Afrika en Zimbabwe reisde. Toen begreep ik het, die ‘roep van Afrika’. De geur, de ongebreidelde woestheid van de wijdse natuur, het stof, de alomtegenwoordigheid van dieren. Dat leidde tot een kleine aardverschuiving.

Toen een aantal weken geleden het aanbod om in Tanzania te gaan lesgeven uit de lucht kwam vallen, besloot ik om de roep van Afrika te beantwoorden. Zoals vogels in de bomen elkaar toefluiten, zo deden we dat ook, Afrika en ik.

Van alle plekken waar ik zou kunnen neerstrijken, is Moshi, aan de voet van de Kilimanjaro, beslist een toplocatie. Bovendien zal ik er meer dan een Vlaming en Nederlander in de Wereld tegen het lijf lopen, omdat ik er Nederlands zal geven in opdracht van Stichting NOB, Nederlands Onderwijs in het Buitenland.

Er is een relatief grote Nederlandstalige gemeenschap in Tanzania, voornamelijk omdat de Tanzaniaanse en Nederlandse overheid al jaren een goede samenwerking onderhoudt. Na Engeland is Nederland de tweede grootste investeerder in Tanzania, met name in landbouw, energie, transport en financiën.

Thailand, ik groet je! Je was fabuleus, heet, groen, divers, lekker en zoet. Ik neem graag een beetje van je mee naar de andere kant van de Indische Oceaan.

Wil u meer weten over het aanbod van Nederlandse lessen in het buitenland, neem dan een kijkje op de website van NOB.

zebras-765885_640

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in de zomereditie van hun tijdschrift, alsook op de website

Waar gaat de hangmat heen?

Twee fietsen, een kayak, boeken (hoewel ik me had voorgenomen om enkel nog e-books te lezen), een aanzienlijk aantal schoenen, twee stoelen en een hangmat. Binnenkort zal het drie jaar geleden zijn dat ik in Thailand letterlijk met twee sportzakken kwam aanwaaien. Verzamelaars zijn we, we houden van gerief. Zelfs iemand als ik die zweert bij het motto ‘L’enfer, c’est le brol.’

Er naakt een verhuis, de ideale oplossing voor het spullenprobleem. Weggeven, weggooien en verkopen. Et voilà!

Het zal niet de eerste keer geweest zijn, een verhuis. Ik heb er intussen al ettelijke op mijn palmares staan. Toegegeven, bij elke verhuis belandt er wel wat residu op de zolder van mijn ouderlijke huis. Mijn moeder heeft de notoire reputatie van niets te kunnen weggooien. Mijn gerief is daar dus in veilige handen, hoewel ik ervan overtuigd ben dat een aanzienlijk deel van het grijze haar van mijn vader te wijten is aan die zolder en de bananendozen die komen en gaan. Sorry, pa. Je bent misschien echter al jaren dozen op een geheime brandstapel achteraan in de tuin aan het opstoken. Ik hoop het voor jou.

Zware criminelen worden somtijds overgeplaatst naar een nieuwe gevangenis, voeten en armen geketend met zwaar metaal. Quentin Tarantino style. Zoiets staat me nu ook te wachten, echter vrij van ketenen, volledig uit vrije wil, vanuit Thailand naar een nog onbekende locatie. De ultieme vrijheid, denkt u. De wereld lonkt, het kan overal heen, van Barcelona tot Zuid-Afrika.

Ik kan me echter niet bevrijden van het aardse bestaan en n’importe où, l’enfer, cela pourrait toujours être les autres, pas seulement le brol. Wat ik maar wil zeggen is, je pakt jezelf altijd mee en mensen zijn mensen, waar ter wereld dan ook.

Maar plekken zijn anders, bergen grilliger, dalen glooiender, rivieren blauwer en de zon scherper.

Van alle brol die ik heb verzameld, neem ik zeker mijn hangmat mee. Zodat ik al liggend en wiegend naar het zwerk kan staren, andere sterrenconstellaties bespeuren, luisteren naar een andere bries en opsnuiven van nieuwe geuren. Daar is geen mens voor nodig.

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in de maarteditie van hun tijdschrift.

 

 

 

Een rookgordijn

Het is begin maart en het is warm, om een understatement te gebruiken. Een milde 37 graden raast over Noord-Thailand. Dat op zich is geen verrassing in de tropen, geen kat in een zak.
Maar er hangt iets in de lucht. Brandlucht.

 

In 2014 ervoer ik mijn eerste smokey season. Tot dan waren mij slechts 4 seizoenen bekend. Ik keek vurig uit naar dat vijfde seizoen, omdat ik collega’s al maanden vooraf woeste verhalen hoorde vertellen over die fameuze periode.
Zou de school moeten worden gesloten wegens barslechte luchtkwaliteit? Wie zou een astma-aanval krijgen? Hoe houden we de brandlucht uit het huis? Waar kunnen we degelijke mondmaskers kopen?
Ik hoorde het aan en dacht: overdrijvers. Van een paar boeren op het platteland die wat verdroogde bladeren opstoken, daardoor kan toch geen volledige vallei in een rookgordijn worden ondergedompeld? Fout gedacht.

 

Het betreft hier geen paar boeren, het betreft het merendeel van de plattelandsbevolking. In maart en april wordt om twee redenen en met veel toewijding vuur gemaakt: boeren steken hun rijstvelden in brand als een goedkope methode om de grond opnieuw vruchtbaar te maken voor een volgende rijstoogst.
De overvloedige bladerafval die niet wegrot omdat het te droog en te warm is, moet bovendien ook ergens naartoe. Composteren is in deze regio nog een onbekend begrip. Alles in de fik, dus.

 

Het resultaat is inderdaad een waar rookgordijn waar de volledige vallei soms weken aan een stuk in is gehuld. Er is weinig wind, geen neerslag en een verzengende hitte. De brandlucht is de kleinste der ongemakken. Het is het fijne stof waaraan dit seizoen zijn slechte reputatie te danken heeft.

 

Brand op een dergelijke grote schaal in tropische warmte leidt tot een alarmerende hoeveelheid fijn stof in de lucht. De overige tien maanden van het jaar is het heerlijk snuiven in het Noord-Thaise platteland. Een vochtige, warme en ‘groene’ lucht, met af en toe het vluchtige aroma van een plant of bloem die ergens in de buurt hard staat te bloeien en groeien. Het smokey season zorgt echter in twee maanden tijd voor een ongekende luchtverontreiniging.

 

De Thaise overheid kijkt vanop afstand toe, maar onderneemt weinig tot geen actie. Zolang er van overheidswege geen alternatieven worden geboden (denk aan: composteringsmethoden en goedkope bodemverbeteraars), blijft de bevolking vlijtig vuur maken. Sinds dit jaar is er een ‘hotline’: een call center (inclusief facebookpagina) waar je vuurhaarden kan rapporteren. Een goede start, maar de vraag is echter in hoeverre opvolging van de incidenten wordt geboden en of de overheid alternatieven zal aanbieden.

 

De dorpsbewoner die met een bamboestok in het vuur staat te porren, doet me terugdenken aan mijn vader en ‘het bosken‘.
Midden jaren tachtig mocht er nog veel in België en op het platteland mocht altijd nog wat meer dan in de stad.  De tuin van mijn ouderlijk huis was groot en daar composteren toentertijd nog geen hippe bezigheid was (containerparken waren eveneens een vaag begrip), ontstonden er bergen groenafval die ergens naartoe moesten. Naar ‘het bosken’ dus. ‘Ik ga een vuurtje maken in het bosken’, placht mijn vader te zeggen. Het bosken was een kleine lap grond aan de overkant van de straat, waar onkruid jaren welig had getierd, hetgeen had geresulteerd in een mini-bos. De omliggende huizen waren tientallen meters verwijderd, dus het bosken was de ideale plek om zich te ontdoen van groenafval.  Als vijfjarige vond ik het bosken bijzonder intrigerend. Donker gebladerte en struikgewas aan de overkant van de straat, waarin mijn vader om de zoveel weken voor een paar uur verdween om dan vervolgens rookpluimen te zien verschijnen. De mysterie-factor was groot. Illegaal was het toen nog niet, maar het had wel een zweem van ‘underground’, toch in de ogen van een vijfjarige.

 

Vandaag blijft er weinig van dat mysterie over. In België is de wetgeving rond ‘vuurtjes stoken’ al een hele tijd verstrengd en containerparken en compostering zijn trendy begrippen geworden. Sommige gemeenten delen zelfs kippen aan de bevolking uit.

 

In Noord-Thailand zijn kippen zonder overheidssteun goed ingeburgerd, maar een containerpark en compostering, dat is nog verre toekomstmuziek. Tot zolang die alternatieven niet worden aangeboden, kan de lokale boer niet op mijn steun, maar wel op mijn begrip rekenen.
IMG_0820
De Mae Rim-vallei, in rook gehuld

7 Eleven Heaven

People love security: the weather, that same dish in their favorite restaurant over and over again, the illusional promises of politicians and starvation in Africa.

It provokes a feeling of safety, something to hold on to, knowing what tomorrow will bring and not having to die. Yet. That feeling is applicable anywhere in the world, from Flanders Fields to the tiniest soi* in a moo baan** in Thailand.

When I was still living in Belgium, the ‘frietkot’*** was the Belgian symbol of security. The smallest village in the countryside had its own frietkot. Although these places mainly sell fries until the early morning, there are small differences in the rest of what they offer: In Brussels you can buy ‘mitrailettes’ (a bread roll filled with fries, salad and meat), frietkots in Ghent serve horse meat sausages and in the south of the country you can buy ‘carbonade’ (a type of hotpot with … fries of course).

(I have many good memories about ‘Frituur André’, a notorious frietkot near the train station of Ternat, a small town not too far from Brussels. In those days, a frietkot was still a mobile trailer. You could simply hook it on your car, tow it to the next best market place or square near a church tower and start frying and selling.)

That same universal urge for security led to the opening of a convenience store in Dallas, Texas, in 1927. It was the first store of what would later be the world-famous 7 Eleven chain of convenience stores. No fries for the gringo’s, but sausage rolls, canned baked beans and Budweiser. Knowing that one could consume the same products anywhere in the States 24/7 created a never before experienced peace of mind.

The company had its ups and downs on the way to becoming a multinational and was bought by a Japanese enterprise at the end of the nineties. This resulted in an incredible boom of 7 Eleven stores all across Asia. The 7 Eleven illuminated signs have become an unavoidable part of the Asian street scape. Even China relented and that’s saying something.

The fulfillment of this universal urge for security has led to 7816 (in 2014) 7 Eleven stores in Thailand alone! The fundamental insecurity that resides in every human being has vanished completely now thanks to the overwhelming presence of 7 Elevens in Thailand. The same thing happened to the Belgians with the rise of the frietkot. Once in a while, there is that spark of doubt and insecurity that still enters the mind of the Thai people, but that has also been taken care of by the pragmatism of Thai buddhism. Not surprisingly Thailand is called the ‘Land of Smiles’.

Where I live, a village not far from Chiang Mai, there are four 7 Elevens in a radius of two kilometers.

I easily gave up the frietkot for these convenience stores. Even in the darkest hour I can see the reflection of the green-red-white 7 Eleven sign, as a beacon.

My future is secure, I am safe, because I live in 7 Eleven Heaven.

 

*Soi = Thai for ‘a small street’

** Moo baan = Thai for ‘a group of houses’

*** Frietkot = a Flemish word for a place where French (I should say ‘Belgian’) fries are sold. You could compare it to a ‘fish and chips place’. In the past, these places used to be mobile trailers, tiny and greasy, but usually great fries. There is no translation for ‘frietkot’ in English, therefore I will continue using the Flemish word.

This article has been published in Dutch in the February 2015 edition of the ‘Vlamingen in de Wereld’ magazine.

IMG_0553

One of the four 7 Elevens in Mae Rim