Big city life

Ik zit in een van de vele koffiebars in Sheung Wan, een district in het noordwesten van Hong Kong eiland. De vochtige hitte hangt zichtbaar in de nauwe straten, geprangd tussen de hoogbouw-gevels. Sheung Wan is gekend omdat het een van de eerste wijken was waar de Britten zich settelden toen ze midden jaren 1800 voet aan wal zetten. Ik hou van deze buurt, niet alleen omdat het een artistieke vibe heeft, maar ook omdat het een mengelmoes is van traditionele Kantonese cultuur en trendy city life. Sheung Wan is niet “gelekt” zoals Central of Wan Chai, andere gekendere wijken hartje Hong Kong, ik zou het eerder “ongecensureerd” noemen, als een grote marktplaats die zich genesteld heeft in de smalle straten rond Des Voeux Road Central. Winkels die allerlei gedroogde waren aanbieden, uitgestald tot op het voetpad, bars met happy hours die vroeg beginnen, locals die een klein stalletje met traditionele parafernalia uitbaten. Dat allemaal achter Des Voeux Road, tussen het op en af van trappenstegen, iedereen meedeinend op het ritme van de stadsmuziek, af en toe onderbroken door een trambel.

Iets meer dan zeven maanden woon ik nu in Hong Kong. Mijn verhuis van Tanzania naar dit deel van de wereld verliep vlot en aan een razend tempo. Hong Kong is het summum van efficiëntie, transparantie en organisatie, wat ik, na Tanzania, meer dan een beetje waardeer. Hoewel, ik denk geregeld terug aan mijn tijd aan de voet van Kilimanjaro, the perks of living in Africa, en ik doe dat vaak terwijl ik thuis op mijn terras kijk naar de bergen in de achtertuin en de kustlijn vooraan. Terwijl ik vogels hoor fluiten en van tak naar tak zie springen in het gebladerte rondom het huis. Ik woon namelijk niet in het centrum van Hong Kong, maar in het oosten van de New Territories, het grondgebied ten noorden van Hong Kong eiland. De New Territories zijn rijkelijk voorzien van groen, prachtige kustlijn, bergen en  – een luxe in een plek als deze – ruimte.  Onbekend en onbemind bij de westerse toerist.

Na Tanzania zag ik mezelf niet onmiddellijk in het hart van een wereldstad gaan wonen. De gedachte alleen al maakte me nerveus. De eerste maanden na mijn aankomst in Hong Kong ben ik dan ook zelden naar het centrum gegaan wanneer het niet “moest”. Ik was het helemaal verleerd, de drukte, het constante gezoem van de stad. Ik ken Hong Kong eiland vrij goed en wist dus wat te verwachten. Het was telkens opnieuw een verademing om thuis te komen in mijn village house in Sha Kok Mei, een klein dorp dat deel uitmaakt van Sai Kung, een kuststadje erg populair voor weekendtrips bij de “islanders”. Een beetje het Knokke van Hong Kong, als het ware.

Intussen, een goeie zeven maanden later, schrikt de stad minder af. Ik heb eindelijk de tijd om mij te laven aan de bron die ontspringt in het hartje van de metropool en moet toegeven dat het effect veel weldadiger is dan verwacht. Ik was vergeten hoe een stad je kan omarmen. Hoe een boek lezen, in het gezelschap van het stadsgegons, gespijsd van een perfect gemaakte cappuccino en sympathieke glimlachjes van de ober, tot simpel geluk, ja zelfs rust, kan leiden. En als het donker wordt, dan zet the city haar mooiste masker op. De sereniteit van de skyline van Tsim Sha Shui, een van de meest iconische beelden van de stad, is bijzonder. Terwijl ik aan de oever in Kennedy Town zit, voeten hangend over de reling, kijkend naar de vissers die een nachtelijke lijn uitwerpen, startend naar de zwarte glitter van Victoria Harbour en de kleurrijk verlichte wolkenkrabbers aan de overkant, verzink ik in complete rust. Een rust waarvan ik altijd had gedacht die alleen te kunnen vinden in de Afrikaanse savanne, tussen de besneeuwde toppen van de Himalaya of langs een van de woeste kusten in Nieuw-Zeeland.

 

Deze tekst is geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en verschijnt in de septembereditie 2018 van hun magazine.