De witte raaf in elke grijze duif

Een gekend tafereel op een namiddag in de vroege lente – eerste zonnestralen, maar toch nog een fris windje – in de speeltuin:

Een kleuter loopt, stevig ingeduffeld in muts, sjaal en winterjas, als een kamikaze af op het klimrekje en probeert zijn nog iets te kleine handjes te sluiten rond de tweede sport van het rek. Tegelijkertijd zoekt het korte rechterbeentje steun op de eerste sport. Het kind probeert zich op te trekken, de blik hoopvol naar boven gericht, naar het einddoel. Dat het een lastige onderneming wordt, is overduidelijk, maar dat weet het kind nog niet. Het klautert, grijpt, schuift weg en grijpt opnieuw, en raakt langzaam maar zeker halverwege het rek. De bovenste sport, de top van de wereld, komt dichterbij. De kleuter kraait van plezier.

Maar dan krijgt mama in de gaten wat haar nageslacht – waar alle hoop en aandacht op is gevestigd – probeert. Ze snelt in volle paniek richting klimrek, onderwijl roepend naar haar kleuter dat het daar veel te gevaarlijk is, dat hij wel eens hard op zijn poep zou kunnen vallen, dat het klimrek voor de grote kindjes is. Tegen de tijd dat mama aangekomen is bij de crime scene, hangt de eerst zo onverschrokken kleuter verkrampt en huilerig halverwege het rek. Moeders woorden sloegen in als een bom, maar toch geef hij zich niet zomaar over. Het kost alle moeite van de wereld om de kleine van het rek te trekken en op moeders arm te planten, van waar hij uitgebreid gewezen wordt op alle gevaren. De sjaal wordt nog vaster geknoopt, de muts nog iets dieper over het voorhoofdje getrokken. De speeltijd is voorbij.

Op datzelfde moment, iets verderop in dezelfde stad, spreekt Fons Leroy, topman van de VDAB – zonder winteruitrusting, maar in maatpak –  een publiek toe dat bestaat uit academici en hogeschoolmedewerkers. In zijn toespraak pleit Leroy voor een grotere aansluiting tussen het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt en de man heeft een visie over hoe dat dan wel gerealiseerd moet worden. Daar heeft hij over nagedacht: niet altijd van achter zijn bureau, al lezend in vakliteratuur, maar ook tijdens de zondagse fietsrit (Leroy is een wielerfanaat), tijdens het ontbijt, kauwend op een croissant schoot hem al eens een goed idee te binnen. Het waren momenten waarop hij figuurlijk achterover ging leunen en zijn gedachten kon laten vlotten in de speelruimte van zijn hoofd.

Speelruimte is een woord dat Leroy dan ook graag gebruikt: kinderen en jongvolwassenen moeten de kans krijgen om hun talenten te ontwikkelen, om via ‘trial and error’ te ontdekken wat ze graag doen, waarin ze goed zijn. Het onderwijs moet hen speelruimte bieden om dat te doen. Geef ze verantwoordelijkheid en zelfstandigheid. Geef ze een duwtje in de rug als het nodig is, moedig hen aan, geef advies, maar laat ze zelf van het rek donderen en verderklauteren.  Alleen dan zal de arbeidsmarkt bevolkt worden met werknemers die voor zichzelf kunnen denken en hun job zelf vorm durven geven.

‘In alle grijze duiven zit een witte raaf’, orakelt Leroy. Laat de duif zelf ontdekken welke witte raaf er in hem schuilt. Laat de speeltijd beginnen!

Ik zou de heer Leroy met aandrang willen vragen om niet alleen in aula’s van universiteiten, in radioprogramma’s of op werkgeversbijeenkomsten zijn verhaal te doen, maar zijn spreekgestoelte te verhuizen naar speeltuinen overal te lande, want daar worden al te vaak witte raven dood geboren.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s