De zwemmer

This must be underwater love

The way I feel it slipping all over me

This must be underwater love

The way I feel it

(Smoke City)

De zwemmer maakte zich klaar. Hij stond aan de waterlijn, waar water zand wordt en zand water. Waar het witte schuim oplicht in het zonlicht voor het in de donkerte verdwijnt.

Het water aaide de teen aan zijn linkervoet; ietwat later ging het aaien over in mouwgetrek, maar dan aan de rechterenkel. De zee werd dwingend.

Hoewel de donkerte van het zand uitnodigender was dan de dwingende diepte van de zee, voelde de zwemmer toch de drang om in het water te gaan.

De zwemmer haalde diep adem, rekte en strekte armen en handen nog een laatste maal en stapte eerst aarzelend, maar al gauw rennend het water in, tegen de vloed in. Hij ging als een boomzaag doorheen de nerven van de golven, bevocht de weerstand.

In het gedruis van de vloedlijn zocht hij zijn eigen adem. Met alle geweld probeerde de zwemmer het vredige ritme van de lucht in zijn mondholte te voelen en horen telkenmale hij boven water naar adem hapte. Het duurde even, want bij elke hap kwam zilt zeewater mee naar binnen: hij gorgelde, hoestte, verslikte en slikte opnieuw en probeerde uit alle macht het water uit zijn luchtpijp te stuwen. Hij wist dat dit ging komen, hij had zich hierop voorbereid. Het was zaak om zijn eigen adem te horen: het lage en monotone geluid bij het uitblazen onder water, het zien van de luchtbellen en het hoger klinkende happen boven water. Hier was hij nu, als een strandjutter op zoek naar zijn adem die zich leek te verschuilen op de bodem van de zee.

30 meter, 50 meter, misschien duurde het zelfs 100 meter vooraleer de zwemmer zijn adem vond, maar hij vond hem. En toen leek het of het oorverdovende lawaai van de branding ineens verdween, als een fade-out in een lied. Plots was er alleen maar laag en diep geborrel onder water en lucht die hoorbaar in en uit zijn lichaam ging.

De zwemmer voelde de koelte van het water op zijn huid, hij voelde het zand langs zijn voeten schuren tijdens het peddelen en wanneer hij met zijn hoofd bovenkwam zag hij de einder die goud kleurde in de zonsopgang. De zee was overal, maar tegelijkertijd was er nergens iets, ergens niets.

De zwemmer zwom en voelde hoe hij als het ware oploste en verdween in de blauwe diepte van de zee nu hij uit de branding en in de kalmere diepte terechtgekomen was.

De geest leek zich los te maken van het lichaam van de zwemmer. Als een wolk zweefde de gedachtebundel boven het wateroppervlak en onttrok zich van het lijf dat door het water bleef ploegen.

Van bovenuit bezien kreeg het lijf iets dierlijks, het haar omkranste zijn hoofd als manen van een leeuw. Zijn voeten leken op schildpadpoten: bij wijlen zo snel peddelend dat er witte schuimkoppen op het water dreven.

De donkere vlek die het diepe blauw aan de einder leek te doorbreken, kwam gestaag dichterbij. De zwemmer wist dat, eenmaal hij in de kalme diepte was terechtgekomen, het slechts een kwestie van tijd was totdat hij het eiland zou bereiken. Gestaag ploegde hij door het water, lucht in en uit, in en uit, in, uit, in.. In uiterste symbiose met het water bereikte het lichaam van de zwemmer het land.  Het spoelde samen met de golven aan op het strand, overspoeld door zonlicht dat een verblindend wit licht verspreidde.

De wolk die zijn gedachten bundelde was volledig opgelost, langzaam verdampt tijdens het zwemmen.

De zwemmer richtte zich op en terwijl het warme zand tussen zijn tenen verdween, keek hij rond, gedachteloos en toch nieuwsgierig. Hij werd voortgedreven door een onzichtbare hand. In dit leven kan alleen voortgeploegd worden. De boer, hij ploegde voert, zegt men wel eens. Zo ook de zwemmer. Hij stapte landinwaarts, richting hoge bomen waarvan de kruinen omringd werden door een perfecte halo. De zon maakte het landschap schriel en scherp. Toch probeerde de zwemmer door het schriele licht te zien: de bomen, het gras, het zand, de struiken, de bij op de aar van een bloem en de kolonie mieren die er een dagtaak aan had om het bospad over te steken.

Anderen waren de zwemmer voorgegaan en hadden voet aan wal gezet op het eiland. Meestal waren ze op zoek naar het fabeldier. Ze spendeerden hun tijd met krampachtig zoeken, uitgedost in de meest bonte accessoires, druk doend, op pad in de zinderende hitte om ten slotte neer te vallen van uitputting, meestal in gezelschap van anderen.

Zo verging het de zwemmer niet. Hij stapte traag, rustte geregeld uit en zocht koelte met zijn rug tegen een boomstam. Zijn gedachten waren opgelost, alleen zijn nieuwsgierigheid bleef hem steeds vergezellen. Hij maakte een onderkomen voor de nacht door bamboestokken die hij met grote bladeren bedekte, tussen twee bomen in te spannen. Daar sliep hij dan, op een mossig bed, en na een aantal dagen trok hij verder. Het was alsof hij zwom. Het rustige stappen doorheen het bos was als ploegen doorheen de koele diepte van het water.

Hij at bij honger en dronk bij dorst.

Hij zocht geen fabeldier.

Hij bleef een zwemmer, ook aan land.

Hij ploegde voert en glimlachte erbij.

IMG_8829

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s