Rosie, zet de valieskes niet te ver

Het zomert in Gent. Het is middag, het feest in de straten wordt wakker geschenen door het witte en harde licht van de zon. Rond de Korenmarkt verdampt de zurige lucht onder de warmte. De stad maakt zich langzaam op voor een nieuwe feestronde.

(De stad zal hier nooit het stad worden, omdat hier geuzen zijn. De stad zal ook nooit Europese hoofdstad worden, want daarvoor is te veel conformisme nodig en dat is hier niet genoeg aanwezig. En controle, ook dat ontbreekt. Wat een geluk. Een geluk.)

Op de Kouter, rondom de podia van Boomtown, zijn de bankjes nu nog vrij. Ik kies een plek in de zon. Terwijl ik het broodje smos uitpak, zie ik in mijn linkerooghoek het dametje zitten, aan het andere eind van het bankje. Lippen rood gestift, witte haren mooi gekamd, een bloemige outfit aan, assorti. Haar brillenglazen verkleuren lichtjes onder het zomerlicht, dat de witte sandalen extra doet oplichten. Met rechte rug en rechterbeen over linkerbeen geslagen, slaat ze de wereld gade.

Ik begin aan de smos.

Een man stopt ter hoogte van het dametje en vraagt haar om geld, in het Frans.

‘Non, monsieur, je ne donne pas d’argent, mais j’ai des fruits, des kiwis. Vous en voulez quelques-uns?’

De man stapt weg zonder haar nog aan te kijken.

‘Jammer toch’, zegt het dametje tegen niemand in het bijzonder, ‘gezondheid is nochtans belangrijker dan geld.’

Terwijl ik kauw, knik ik beamend, ook voor niemand in het bijzonder.

De hoofdknik bracht ons gesprek op gang.

Jong was ze lang geleden, zei ze, maar als ze ‘de jonkheid’ in de stad ziet passeren, dan doet ze graag een effort. Lippen stiften, een touchke parfum achter beide oren, stadsschoenen aan.

Ik zeg haar dat ze er goed uitziet, dat ik het jeugdig parfum kan ruiken.

‘Het smaakt u, dat broodje smos’, zegt zij.

Jawel, zeg ik, kaas en mayo op een broodje, dat is simpel geluk.

‘Goed, meisje, geniet ervan.’

(Dat meisje van halverwege de dertig, dat vind ik wel oké.)

Ze gaat rustig verder. ‘Ik kom hier graag zitten’, zegt ze, ‘omwille van die jonkheid‘. Zit gij hier ook veel?

Het gesprek wordt nu ook van mij en niet alleen van haar.

Kort schets ik dat een smos op een bankje in Gent voor mij een waar genoegen is. Dat ik net drie jaar in Thailand heb gewoond en nu op bezoek ben. Dat ik volgende week naar Tanzania verhuis. Dat het allemaal wel wat spannend is, maar dat dat oké is.

Ze maakt gebruik van de happen van mijn broodje om enthousiast te knikken.

De verweerde en geringde handen bewegen van haar schoot naar haar haar – ze steekt een lok goed – naar mijn arm.

‘De wereld is schoon’, zegt ze. ‘Ik weet dat, want met mijn man reisde ik veel.’

‘Elf jaar is hij nu overleden en er zijn nog dagen dat ik niet naar onze trouwfoto kan kijken, want ik mis hem zo.

Hij werkte voor de Koninklijke Bibliotheek Albertina in Brussel. Van hem heb ik veel geleerd.’

Ze draait haar hoofd ietwat weg, maar toch kan ik het spoor van haar tranen volgen, centimeter voor centimeter.

Het verdriet schittert in het witte zonlicht en glinstert onder haar getinte brillenglazen. Beschroomd leg ik mijn hand op haar arm.

Het broodje smos is intussen op. De jonkheid blijft passeren. Het gesprek hangt tussen spreken en zwijgen.

Met een gesteven witte katoenen zakdoek dept ze haar ooghoeken.

‘Die mascara, dat wordt toch altijd een smeerlapperij!’

Ze lacht en ik lach terug.

‘Wilt gij een kiwi?’, vraagt ze.

‘Ja’, zeg ik.

‘En een stukske chocola voor u?’, antwoord ik.

‘Graag’, zegt ze.

‘Ik wens u veel geluk, daar in Afrika’, zegt ze. ‘Mijn man ging daar ook heel graag.

‘Rosie’, zei hij altijd, ‘Zet de valieskes niet te ver, want binnenkort zijn we weer weg!’

IMG_6334
Gent
Advertisements