The pain cave

Ooit sprak Peter Sagan, de wielrenner, tijdens een interview over zijn ‘pain cave’, de plek in zijn hoofd waar hij naartoe gaat wanneer hij fysiek extreem diep moet gaan. Het moment van holle duisternis, waarin er alleen nog plaats is voor pijn. Pijn die geen ruimte overlaat voor overpeinzingen, die hem slechts in staat stelt om toch te blijven doorgaan. Het is de plek in zijn hoofd waar hij naartoe gaat als er niks meer is, waar datgene zich bevindt wat achter het niks ligt. Doen en gaan. Omdat hij weet dat het kan.

Zo’n pain cave is, spoiler alert, sterk aan te raden.

Reflecteer over uw daden, laat los en wees u bewust van waar u mee bezig bent. Het zijn mantra’s die zich vandaag als oorwormen naar binnen werken, langs radio, televisie, uw favoriete hipster koffiebar en de social events die u frequenteert. Kom los van dat leven met zijn nijdige tempo en denk na over wat u écht wil. Uiteraard is het passend om hierbij aan yoga en mindfulness te doen.

Het is een catch 22. Al dat reflecteren leidt tot complete stagnering, zelfverheerlijking en naïviteit. U geraakt geen meter vooruit, want alles moet zinvol zijn en elke stap die u zet, hoort een vlucht te zijn, weg van het nijdige tempo, dichter bij uzelf, wie dat ook mag zijn.  Dat weet u zelf niet. Een stap dichter bij uw droom. Geen pain cave, maar een roze wolk die bij klaarlichte dag telkens opnieuw uit elkaar spat. Shit happens, then you die.

Ik verklap u graag een geheim. Life is better in the pain cave. Begrijpt u me niet verkeerd. Ik verkeer niet in een constante staat van verlammende fysieke of mentale pijn. Ik heb geen radio, noch televisie, geen hipster koffiebar in mijn nabije omgeving en reflecteer betrekkelijk weinig. Ik heb ook geen psychedelische yogapants en heb iets tegen quotes van Rumi. Ik woon sinds kort op het platteland van Tanzania, ziet u. En daarvoor was ik in Noord-Thailand. Nu het vierde jaar weg uit het moederland.

Op beide plekken ben ik terechtgekomen zonder veel overpeinzingen, door een aantal simpele acties te ondernemen die op geen enkele manier deel uitmaken van een groot masterplan. Roekeloos of impulsief? Nee, het is die pain cave.

Ik was ooit wel eens eigenaar van een huis en had, wat men in het westen een ‘regulier’ leven zou noemen. Lang dacht ik dat ik dat had omdat ik daar hard over had nagedacht en tot de zelfstandige beslissing was gekomen dat dat was wat ik wilde. Maar vergis u niet. Het hoofd misleidt u constant. Laat u dingen denken die helemaal niet van u zijn.

Ik ben uiteindelijk gestopt met dat reflecteren en maatschappelijk bewustzijn.

Aanvankelijk leidde dit tot enige verbijstering, het besef dat er eigenlijk weinig overblijft, eenmaal men zich loswerkt van de conformistische structuren waarvan men denkt dat men ze nodig heeft. En het klopt, er is niks, er blijven slechts de verwachtingen die je bij jezelf legt. Ook dat is de pain cave. De plek in je hoofd die leegte geeft en die twee mogelijke uitkomsten biedt: het licht uitdoen en om Prozac smeken of handelen. Simpelweg dingen doen. Een optie al dan niet kiezen, doen en daaruit dan weer andere opties nemen of links laten liggen. Er komt betrekkelijk weinig gereflecteer aan te pas. Wat overblijft zijn acties die verbonden zijn aan een interne drijfveer, wars van externe omstandigheden. En veel ruimte om bepaalde verwachtingen van jezelf, niet van anderen, te stellen.

Het bracht mij in Noord-Thailand en ik bleef er drie jaar. Het bracht mij nu in Tanzania. Geen eigen huis, geen kind of wederhelft, ik ben mijn eigen compagnon de route. De banden die ik heb, zijn gesmeed met anderen die ook een pain cave hebben. Zij die het besef hebben dat vooruitgang ligt in een gestaag tempo en eigen fysieke of mentale grenzen verleggen. Dat maatschappelijke normen en structuren illusoire constructies zijn voor zij die graag voor-gedacht worden.

Sinds ik mijn pain cave bewoon en achter het niks reik, ben ik verder geraakt dan ooit. Ik heb niet getimmerd aan een carrière, noch aan een tuinkot bij een mogelijks halfopen bebouwing in Vlaanderen. Ik ben echter verhuisd naar Azië, dan naar Afrika, ben aan triatlons en een boek begonnen. Ik heb het niet druk. Waarom? Omdat het mogelijk is.

Denk daar maar eens over na. Maar niet te hard.

 

The pain cave volgens Hans Teeuwen: Het sprookjesbos

De andere maat der dingen

Het is na één uur ’s nachts als ik land op de piepkleine luchthaven. De parketvloer kraakt onder mijn vermoeide voeten, de vrouw bij de visa-afgifte heeft er duidelijk ook een lange dag op zitten.

Enigszins zonder hoop strompel ik richting bagageband. Ik ga er niet van uit dat mijn fiets en mijn 60 kilogram bagage het heeft gehaald.

Karibu!’, hoor ik links van me. ‘Is this your bike?’

Jawel, mijn fiets en de rest van mijn bagage rollen gezapig over de enige band die de luchthaven telt.

Bij aankomst in Shanti Town, de wijk in Moshi die mijn nieuwe thuis zal worden, is de nacht donkerzwart. Een stroompanne. ‘Get used to it’, zegt mijn collega.’This happens all the time. We’ve already put some candles and matches in your house, just in case.’

Ik duikel mijn zaklamp op en met de hulp van de askari, nachtwaker, duwen we alle bagage binnen.

Ik zoek het dichtstbijzijnde bed en zweef de rest van de nacht tussen waken en slapen.

Ergens aankomen in het donker, op een plek waar je nog nooit bent geweest, is altijd surrealistisch. Wetende dat die donkerte, maar ook het licht dat erbij hoort, vanaf nu thuis zal zijn, maakt dat je permanent op observatiemodus staat. Zelfs de kwaliteit van het toiletpapier leidt tot overpeinzingen.

Mochten Thailand, mijn vorige thuis, en Tanzania het onderwerp zijn van een ‘zoek de gelijkenissen’-opdracht, dan zou er redelijk wat stof tot nadenken zijn.

Dit wordt duidelijk wanneer ik ’s morgens bij een stralende zon wakker word en bij het naar buiten dwalen – nog half in slaaptenue – op het voetbalveld rechts van mijn huis, platgeslagen word door de berg. Dé berg, de Kilimanjaro, besneeuwde top oplichtend in de ochtendzon.

Het wintergroen is hier groener dan ik dacht, het zonlicht witter en de mensen warm en warmer. En het ruikt hier naar – ik zoek een aanknopingspunt, maar vind er geen – wel, naar.. Afrika.

Karibu! Habare! 

De Tanzanianen besteden graag en veel tijd aan begroetingen.

In het centrum van Moshi, duidelijk de uitvalsbasis voor berg- en safarifanaten, zijn de straten van iedereen. De brommers, dala dala’s, vrachtwagens, voetgangers, fietsers, 4WD’s, het stof en de geur van veel en vanalles.

En toch straalt Moshi in alle beweging een gezapige rust uit.

Het zijn vierentwintig fascinerende uren in mijn nieuwe woonplaats in hartje Oost-Afrika.

Wat ik weet en wat bekend is, is nu niet meer relevant. Hier heerst een andere maat der dingen.

Ik ga mijn huis binnen en zoek het gaskraantje van het fornuis om een kop koffie te zetten. Wat we weten is relatief, wat we willen weten, dat maakt het verschil. Dat denk ik terwijl ik een aap door de tuin zie huppelen.

Habare Tanzania, ik ben er klaar voor. Ik wacht niet langer, maar begeef me in je straten, savannes, op je bergen en langs je kust.

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in de najaarseditie van hun tijdschrift en op hun website.

 

IMG_6584

Rosie, zet de valieskes niet te ver

Het zomert in Gent. Het is middag, het feest in de straten wordt wakker geschenen door het witte en harde licht van de zon. Rond de Korenmarkt verdampt de zurige lucht onder de warmte. De stad maakt zich langzaam op voor een nieuwe feestronde.

(De stad zal hier nooit het stad worden, omdat hier geuzen zijn. De stad zal ook nooit Europese hoofdstad worden, want daarvoor is te veel conformisme nodig en dat is hier niet genoeg aanwezig. En controle, ook dat ontbreekt. Wat een geluk. Een geluk.)

Op de Kouter, rondom de podia van Boomtown, zijn de bankjes nu nog vrij. Ik kies een plek in de zon. Terwijl ik het broodje smos uitpak, zie ik in mijn linkerooghoek het dametje zitten, aan het andere eind van het bankje. Lippen rood gestift, witte haren mooi gekamd, een bloemige outfit aan, assorti. Haar brillenglazen verkleuren lichtjes onder het zomerlicht, dat de witte sandalen extra doet oplichten. Met rechte rug en rechterbeen over linkerbeen geslagen, slaat ze de wereld gade.

Ik begin aan de smos.

Een man stopt ter hoogte van het dametje en vraagt haar om geld, in het Frans.

‘Non, monsieur, je ne donne pas d’argent, mais j’ai des fruits, des kiwis. Vous en voulez quelques-uns?’

De man stapt weg zonder haar nog aan te kijken.

‘Jammer toch’, zegt het dametje tegen niemand in het bijzonder, ‘gezondheid is nochtans belangrijker dan geld.’

Terwijl ik kauw, knik ik beamend, ook voor niemand in het bijzonder.

De hoofdknik bracht ons gesprek op gang.

Jong was ze lang geleden, zei ze, maar als ze ‘de jonkheid’ in de stad ziet passeren, dan doet ze graag een effort. Lippen stiften, een touchke parfum achter beide oren, stadsschoenen aan.

Ik zeg haar dat ze er goed uitziet, dat ik het jeugdig parfum kan ruiken.

‘Het smaakt u, dat broodje smos’, zegt zij.

Jawel, zeg ik, kaas en mayo op een broodje, dat is simpel geluk.

‘Goed, meisje, geniet ervan.’

(Dat meisje van halverwege de dertig, dat vind ik wel oké.)

Ze gaat rustig verder. ‘Ik kom hier graag zitten’, zegt ze, ‘omwille van die jonkheid‘. Zit gij hier ook veel?

Het gesprek wordt nu ook van mij en niet alleen van haar.

Kort schets ik dat een smos op een bankje in Gent voor mij een waar genoegen is. Dat ik net drie jaar in Thailand heb gewoond en nu op bezoek ben. Dat ik volgende week naar Tanzania verhuis. Dat het allemaal wel wat spannend is, maar dat dat oké is.

Ze maakt gebruik van de happen van mijn broodje om enthousiast te knikken.

De verweerde en geringde handen bewegen van haar schoot naar haar haar – ze steekt een lok goed – naar mijn arm.

‘De wereld is schoon’, zegt ze. ‘Ik weet dat, want met mijn man reisde ik veel.’

‘Elf jaar is hij nu overleden en er zijn nog dagen dat ik niet naar onze trouwfoto kan kijken, want ik mis hem zo.

Hij werkte voor de Koninklijke Bibliotheek Albertina in Brussel. Van hem heb ik veel geleerd.’

Ze draait haar hoofd ietwat weg, maar toch kan ik het spoor van haar tranen volgen, centimeter voor centimeter.

Het verdriet schittert in het witte zonlicht en glinstert onder haar getinte brillenglazen. Beschroomd leg ik mijn hand op haar arm.

Het broodje smos is intussen op. De jonkheid blijft passeren. Het gesprek hangt tussen spreken en zwijgen.

Met een gesteven witte katoenen zakdoek dept ze haar ooghoeken.

‘Die mascara, dat wordt toch altijd een smeerlapperij!’

Ze lacht en ik lach terug.

‘Wilt gij een kiwi?’, vraagt ze.

‘Ja’, zeg ik.

‘En een stukske chocola voor u?’, antwoord ik.

‘Graag’, zegt ze.

‘Ik wens u veel geluk, daar in Afrika’, zegt ze. ‘Mijn man ging daar ook heel graag.

‘Rosie’, zei hij altijd, ‘Zet de valieskes niet te ver, want binnenkort zijn we weer weg!’

IMG_6334
Gent

Why South East Asia urgently needs its own Ruby Rose

Asian

USAG- Humphreys (CC by 2.0)

Somewhere between the cuteness of Hello Kitty and the lusty image of a slutty mainstream backup dancer in a pop music video (“want me, want me!) female body, is the stereotype female image that South East Asia portrays today. The cliches couldn’t be more obvious, the time has come for an Asian Ruby Rose.

Recently, our international school organised its yearly Dance Fest, a dance festival by and for international students from the Chiang Mai area. From the first performance the stage was: naked belly’s, tight jeans, suggestive pelvic thrusts, long hair fiercely going from left to right and too much makeup. Seems harmless enough, except for the fact that the average age of the dancers was about fourteen! There’s something fundamentally wrong with the image of the female amongst Thai, Korean and Chinese girls, collectively they are all buying into the same statue quo of manufactured consent.

From Hello Kitty in one straight line to Playboy

Thailand has a reputation of being a country where sexual freedom and deviancy are limitless; where ladyboys are part of the natural streetscape scenery, gay and lesbian, heterosexuals, and everything in between aren’t considered taboo. Where numerous western men fall in love with girls young enough to be their grand daughters.

Nevertheless  Hello Kitty and Minnie Mouse are still the uncrowned queens of the country.

Next to the ladyboy, who is walking hand in hand with his/her boy/girlfriend, there’s the woman – fully grown up – wearing a Hello Kitty T-shirt and Minnie Mouse socks. To her, this image of a scantly dressed hooker is shocking, and their prudery complete.

In this contradictory landscape, a new generation of girls is going through their teenage years. They are Thai, but also Korean and Chinese. They have to try and find their identity amidst these extreme stereotypes. Gotta do it.

Beyoncé is a role model, but also the enormously popular ‘K-Pop’ bands (Korean pop music that influences most of South East Asia), and the rest of the world. K-Pop is a crossover between Korean and western pop music, dipped in a sauce of lust and fierce hip movements, even the occasional private-parts groping. The pop stars are teenagers themselves and they are the examples to the girls in our classes. For the Dance Fest, the majority of the girls clearly found their inspiration in mainstream K-Pop choreographies.

The worries of the school girls

The girls in our classes are intelligent, open minded and are preparing themselves for an international academic career. All good, except for the illusion they have of who they think they should be.

I occasionally overhear conversations in between classes: often it is about the latest makeup purchase, the newest whitening cream because – God forbid – a suntan is evil itself. While gallons of self tanning cream are being purchased in the West, here ‘whiter than white’ is the ideal.

In our school uniforms are mandatory. Which is fortunate, because otherwise we would have to fight a daily battle against tight shorts (or are they underpants?), naked belly’s, clubbing outfits and cleavage.

All this to illustrate that the ideal of what a female should look like in South East Asia is getting out of hand, or better yet has fallen into the wrong hands. This has to do with the Asian image culture, that promotes an absurd and short-sighted image of the female. Fashion also plays an important role: the female uniform today is tight jeans, high waisted pants, short shorts, and naked belly. The only alternatives are the extreme opposite, Minnie Mouse and Kitty.

Underneath all this, there’s a spooky white skin. That’s who girls want to be. Or: what they think they want to be. There are hardly any exceptions.

Ruby Rose to the rescue

In the West, Ruby Rose is mainly known because of her striking appearance in the popular series ‘Orange is the new black’, but that is not her only achievement. Ruby Rose is a DJ, model, actress, but most importantly, a symbol for the breach of the female status quo. Her short movie Break Free is a beautiful symbolic campaign to promote genuinity. It explicitly says no to short-sightedness and narrow-mindedness.

Being a woman or a man is a state of mind, but it has become a social label. For South East Asian girls, being a woman has been reduced to a trashy piece of meat ideal, which in reality is impossible to attain.

Ruby Rose, can you send your Asian twin sister to this side of the world, please?

I am neither a feminist, nor a suffragette, nor a female rights activist. I was born in a female body and I am happy with that. I have short hair, a few tattoos, I like motorbiking and I detest pink. But I also love high heels, a tight dress from time to time, and I am not afraid to show some cleavage.

Therefore, to all of our school girls: just say NO to the status quo!

 

This is an adapted translation of the text that was published in Dutch on the Belgian website www.mo.be in June 2016.

Afscheid van een vriend

Drie jaar lang waren we erg dik, jij en ik. We deelden lief en leed, regen en wind, tropische hitte en zon. We bewandelden samen velerlei paden, dwars door het bos, recht naar het zuiden, noord, oost of west, smalle en bochtige bergwegen, brede en drukke hoofdstraten naar de stad.

Meestal genoten we van elkaars gezelschap in stilzwijgen, af en toe neurieden we samen. Zelden vloekten we (behalve die ene keer toen we vielen, in het bos, uitgegleden in een modderige geul), want we waren content dat we de lucht mochten proeven en het gebladerte mochten ruiken. De geur na een moessonbui, de verschroeide stank na te lang rijden in de zon.

Je hielp me met reisbagage, boodschappen van de Makro, een iets te groot uitgevallen passagier, een boot, reserveonderdelen. Je was sterker dan toen ik je voor het eerst ontmoette. Toen had je al meer dan dertig jaar tocht achter de kiezen en dat was eraan te zien. Je kreunde van de ouderdom en je miste meer dan een paar vijzen. Maar we sleurden je erdoor.

We gaven je een motortransplantatie, nieuwe velgen, een kilometerteller.

Vanaf dan behoorde je tot de categorie 200 cc, weliswaar van Lifan-makelij, niet meteen de Rolls Royce onder de motoren, maar degelijk. Betrouwbaar.

Weet je nog die keer, toen we langs de Birmese grens in niemandsland stilstonden? Tropische jungle zo ver we konden kijken. 4 mannen doken uit het niets op, één ervan een machete in de hand. Ik verschool me breeduit glimlachend achter je smalle rug. Jij, jij was vooral bezig met afkoelen na 160 km ruw wegdek. Het viertal kwam dichterbij en bleek vooral geïnteresseerd in jou. Met pretogen streelden ze je tank, liepen rondjes rondom jou. Ik bleef angstvallig glimlachen.

Of die keer, toen we plots aan de oever van de Mekong-rivier stonden. Het was valavond na een lange rit, de zon gooide zich een laatste keer vol overgave in de diepte van de Mekong en toen werd het licht duister. We stonden daar, perplex, we waren zo klein, vergeleken met die grote rivier. We werden er stil van en besloten een nacht te blijven.

In Kanchanaburi, aan de River Kwai, toen waren we trots. We hadden zoveel afstand overbrugd, jij en ik, we reden helemaal langs de desolate Birmese grens van noord naar zuid tot we er kramp van kregen. We stopten voor een ijsje, reden doorheen velden en heuvels richting de Kwai-vallei. We parkeerden aan het treinspoor en dachten aan oorlog.

Vorig jaar kreeg je rode vering. Die gaf je een ‘kinky touch’. Je kreeg plots net iets meer glamour te midden van het stof.

We hadden ontelbare lekke banden, een aantal elektrische storingen, een losgekomen bagagerek, een zoekgeraakte bout op een cruciale plek, maar we genoten 13 000 kilometer lang van elkaars gezelschap en zagen het echte Thailand, van heel dichtbij.

Om de woorden van een andere vriend te gebruiken: ‘Samen zaten we in de televisie in plaats van ervoor.’

Het ga je goed,
Je trouwe amazone
bike