De stille rebel

Als een kolkende rivier

Een oorverdovende storm

Een woeste wind

Een clusterbom

Zo had ze zich door de dagen gewroet. ‘Nee’ wanneer een ‘ja’ het lot had kunnen beslechten en ‘ja’ wanneer ‘nee’ even goed had gekund. En onderwijl conformeren. Want dat schreeuwen vermoeide, uiteindelijk. 

Hoe luider alles aan de buitenzijde klonk, des te stiller werd het binnenin. In haar, daar ontplooide zich een gapend gat dat in stilte bleef groeien. Tot ze zich losmaakte van wat Connie Palmen beschrijft als ‘de grond, het land, de familie, van zijn vrienden en vooral van de ideeën waarin hij zichzelf heeft opgesloten.‘ in Jij zegt het.

Ze ging en werd stiller, maar opflakkeringen van beukende golven, windvlagen en vlijmscherpe splinters bleven haar lange tijd deel. Fel en driest het ene moment, in zichzelf geplooid, luisterend naar het ruisen van de zee, het andere.

Ze dacht hoe moe ze wel was, wat een tijdverlies dat had geweest, dat schreeuwen en briesen. En hoe ze intussen wat anders had kunnen doen. Wat constructiefs, de vreemde eend in de bijt die haar plooien had kunnen gladstrijken wanneer het aangewezen was, maar verder haar veren stevig had kunnen blijven schudden. Tegen de wind in, in stilte weliswaar.

Ze werd wel eens een accidental buddhist of een inner-hippie genoemd, maar ze hield labels bij voorkeur op afstand. Als er dan toch woorden moesten worden gezocht, om voor die onvermijdelijke drang tot benoemen te zwichten, dan zou het nu stille rebel zijn. 

Als ze een zee zou zijn, dan was ze de Diepste. 

Als ze een berg zou zijn, dan was ze de Hoogste.

Als ze een ster zou zijn, dan was ze de Verste.

Als ze een rebel zou zijn, dan was ze nu de Stilste.

silence
‘Silence’
Advertisements

From fetish to flip-flops

This is a sad story. Very sad. It’s about my shoes. Make sure you have tissues.

It is said that Imelda Marcos , wife of the deceased Filipino dictator Ferdinand Marcos, owns more than 3000 pairs of shoes. That’s a number with 4 digits. I am not even coming close to that, mine is a 2-digit number, but high enough not to mention the exact amount. That said, my collection is stagnating, against my will.

My extravaganza is not even half as extreme as Imelda’s. But, I like beautiful things too. In nature, words, art and clothes, but also shoes. I used to buy them a lot. As a matter of fact, I used to travel to Barcelona regularly, because that city has an amazing shoe offer. Spanish quality, different styles and affordable prices. But there were other cities where I bought shoes: the orange crocodile leather shoes were from Berlin, in Porto I bought cowboy boots, in Hong Kong I got myself a pair of brown mocassins with a blue tip and a pair of purple high heeled boots in Ghent. Dries Van Noten, Chie Mihara, MoMa. Just to name a few.

Shoes are more than things to cover your feet. They play a role in what kind of person you are that day or what kind of impression you wish to leave. I remember, quite a few years ago, I was teaching a series of language classes to Polish truck drivers. They were a rough bunch and not easy to ‘tame’. I strategically chose to wear the high heeled purple boots, just to scare them off a bit. To make myself look indestructible. Not sure if I ever did, but the truck drivers treated me with respect. Teaching in one of the financial corporations in Brussels implied wearing ‘a little black dress’ and stylish small black boots, no heel, but with red laces. Yes, red.

I can go on for a while, about my peculiar shoe choices for particular situations, but I will not. Because sadly those times are over. 4 years ago I moved to the tropics and that was the beginning of the end of my shoe fetish.

I was optimistic and I took some of my favourite shoes to Thailand, but after a few months, they were wasting away. Mold, humidity and extreme heat killed the leather, the soles. It killed most of my shoes.

The first few months, I was looking around in anguish. The tropical shoe uniform seemed to be Crocs (occasionally spotted with socks) or plastic ballerina shoes. I was mortified. There I was, with my fetish, on a continent where everyone was wearing plastic shoes. And flip-flops on every occasion!

My parents didn’t allow me to wear flip-flops when I was a kid. It would deform my feet because of the lack of support, they said. That’s probably where my repulsion for flip-flops comes from. It’s like saying no to vegetables when you’re living at a vegetable farm and you’re eating porridge every day. It does the trick, keeps you going, but goodness me, are you treating yourself badly or what?

I hate flip-flops. I hated flip-flops. I got myself a pair after one year in Thailand (I resisted that long) and started wearing them every day. Every damn day! On flip-flops! What a degradation. And worst of all, I started liking them.

About half a year ago I moved to East-Africa and things worsened. I didn’t bother bringing too many shoes and the ones I brought are dust, mud and dirt-proof. It’s not like I am going about in my gum boots (not yet, but it will be the case when the rainy season starts), I still have a couple of high heel pairs, one of which is pink. Just for the sake of nostalgia. But I am flip-flopping around. Every goddamn day.

Moreover, because of the dust, my feet are constantly looking filthy. Even after brushing them in the shower, the dust is stuck in the pores. Forever. I still paint my toenails, but no longer because I want them to look colourful, but to cover the black dust that resides permanently under my toenails.

I became a flip-flop woman and I am not proud of it.

I hope that one day, I can get back to my old me, proudly being a shoe-addict. When visiting Belgium, I open all the shoe boxes and I look at my shoe collection with feelings of love and pain. I silently shed a tear.

shoes

De tragiek van het woord

Schrijven doe ik met de regelmaat van de klok, een ijdele poging om de dingen beter te begrijpen. En als het over taal en het woord gaat, zoek ik graag mijn heil bij de ideeën van de heren Freud en Derrida.

Een Freudiaans perspectief op het woord betekent dat taal een vruchteloze poging is om iets te ver-woorden. Het kan worden vergeleken met een rijzende feniks die, als hij te dicht bij de zon komt, opgaat in rook. Met andere woorden, we bedienen ons van het woord om het onzegbare te proberen zeggen.

Jacques Derrida, de Franse filosoof en vader van het deconstructionisme, zegt dan weer dat de eindeloze veelheid van interpretaties begrip van een tekst onmogelijk maakt. Tijdens het lezen verdampt de oorspronkelijke betekenis en vertroebelt een veelheid van interpretaties de kernidee van de tekst. Why bother?

Desondanks schrijf ik. Het is als water halen in de woestijn, pinguïns op de Noordpool zoeken of dressing voor mayonaise te laten doorgaan. Schrijven is van een onvoorstelbare tragiek.

Tegenwoordig erger ik me aan de niet-aflatende woordenbrij van meningen, ideeën, modes en her-tweeten van andermans uit de lucht gegrepen uitingen. Als een stinkende beerput zijn de media vandaag oververzadigd met nonsens die doordrongen is van frustratie, maar vooral: onwetendheid.

Er was een tijd dat ik elke gelegenheid te baat nam om een discussie aan te gaan, mijn Standpunt (hoofdletter!) te verdedigen en te discussiëren, louter en alleen voor de lol van het discussiëren. Die tijden zijn veranderd. I pick my fights en meer en meer laat ik discussies aan mij voorbijgaan. Noem het onverschilligheid, ik noem het eerder geen voeding geven aan de raaskalderij. In stilte denk ik er het mijne van.

En toch schrijf ik, bedien ik mij van het geschreven woord. Ik ben een verhalenverteller, een fantast, een woordentroubadour.

Een – bij momenten wrang – genoegen schep ik in het woord, als een ware Pierrot, de naïeve trieste clown die zijn oorsprong vond in de zeventiende eeuwse Italiaanse Commedia dell’Arte. Pierrot had grote gevoelens voor Columbine, maar zij liet hem staan voor Harlekijn, de luchthartige tegenhanger van de melancholische Pierrot. Harlekijn is de romantische held die met veel bravoure acrobatische kunsten uitoefent en ook een zogenaamd pact met de duivel heeft, waarbij hij de mannelijke concurrentie voor Columbine op duistere wijze stokken in de wielen probeert te steken.

Laat ons met een klassieke literaire stijlfiguur de driehoeksverhouding tussen Pierrot, Columbine en Harlekijn als metafoor zien voor de verhouding tussen zij die de waarheid willen zien (Pierrot), het onverzadigbare verlangen (Columbine) en de verblinding die mens, cultuur en maatschappij hoog in het vaandel draagt (Harlekijn).

Als kind had ik een houten Harlekijn, rood pakje met groene beentjes, met een touwtje zodat je zijn armpjes en beentjes op en neer kon doen gaan. Hoe sprekend, dat mechanisme om het Harlekijntje willens nillens te laten dansen. Ignorance is bliss.

Maar op de kast prijkte ook een Pierrot. Het was een klein ineengezakt figuurtje met een groen pak aan en die ene traan klaar om naar beneden te rollen. Lang heb ik me afgevraagd waarom die traan er was, waarom een clown niet simpelweg een clown kon zijn, zoals Harlekijn.

Bovendien heeft Pierrot geen masker, noch een rode neus of een pruik. Hij houdt het op een witgekalkt gezicht met daarop, pijnlijk aanwezig, de zwarte traan. Voor Pierrot had ik als kind geen woorden, Harlekijn daarentegen, die stemde mij minder tot nadenken. Het spreekt voor zich dat men kinderen liever Harlekijnen dan Pierrots voorschotelt.

David Bowie daarentegen, gebruikte Pierrot met overtuiging als statement:

‘I’m Pierrot.

I’m Everyman.

What I’m doing is theatre, and only theatre.

What you see on stage isn’t sinister. It’s pure clown.

I’m using myself as a canvas and trying to paint the truth of our time.’

Het is een bizar genoegen de realiteit heel even flagrant te kunnen ontkennen met het woord. Maar het is een meesterlijke vaardigheid om desondanks niet blind te zijn voor de waarheid.

Ik blijf u graag dienen van het woord, ondanks alles.

pierrot

Tijd en boterhammen

Brussel deed haar toen steeds reikhalzend uitkijken. Het was als een juwelenkist waarin je je hand liet zakken en de rilling die het goud en zilver je bezorgde beloften in zich hield van exotische plekken en ondenkbare dingen.

Ze kwam van het platteland, maar ging ‘in dienst’ in Brussel. Dat moet begin jaren veertig zijn geweest. Er werd een gesteven schort rond haar tengere lenden geknoopt, gevolgd door een reeks precieze instructies. Ze waarde door het huis als een stille wervelwind. Efficiënte bewegingen en intussen observeren, ogen en oren de kost geven. Een woord Frans, de naam van een magasin dans la Chaussée d’Ixelles, de geur van het parfum van Madame. Ze werd deel van het geheel en zo kwam het dat zij, het plattelandsmeisje, de oorlogsjaren door zwom in de vijver van Madame, met haar allereerste badkostuum aan en Franse woorden op de tong, proevend in de gesprekken met la fille de Madame. Ze werden vriendinnen.

Samen met de oorlogsjaren verdwenen ook de zomers in de zwemvijver. Ze trok terug naar het platteland. Er kwam een man in haar verhaal. Een selfmade man, een bricoleur, een charmeur. Háár man. Voor de trouwerij trok ze samen met haar bruidsjurk haar Brusselse allure aan. Gekrulde volbruine haren, rood gestifte lippen, het parfum dat haar deed terugdenken aan alle mogelijkheden die er ooit waren geweest. Hij nam haar stevig bij de arm en zij, frank en fel, zei ja met haar ogen en haar volle mond.

Mannen werden het hoofdthema, met drie zoons en veel strapatsen tijdens de naoorlogse jaren. Zij bestierde het gezin met op vaste tijdstippen stevige kost op tafel en elke dag vers geperst fruitsap. Ze wervelde door het huis met gesteven schort. Een vaste gewoonte. Af en toe ving ze haar eigen blik in de weerspiegeling van een van de ramen. Zichzelf recht in de ogen kijkend, schouders rechtend, zei ze tot zichzelf: ‘Allez Elza, en avant!’

En vooruit ging het. De jongens werden mannen. Háár man werkte zich al rokend doorheen de dagen die af en toe stokten. Terwijl hij na het middageten even ging liggen, ploegde zij voort met een honger die niet te stillen was. Het waren haar Brusselse dagen die haar hadden doen reizen. Verre reizen naar oorden waarvan ze de naam niet kon uitspreken. Elke dag elders naartoe, elke dag opnieuw nieuwsgierig.

Haar man, bricoleur en charmeur, liet het leven in de zetel terwijl zij brood aan het snijden was. Toen ze het beleg op tafel zette, begon het haar te dagen dat het té stil in huis was geworden. Op zijn manier had hij haar toekomst beslecht. Met kleinoden en cash, voor haar bewaard in een sigarenkistje.

Ze hervond haar Brusselse elan, liet de artiest in zich los, want nu was er ruimte, nu het mansvolk was verdwenen. Ze tekende, haalde haar Frans van onder het stof, leerde een mondje Engels. Ander mansvolk vond echter de weg naar haar terug.

‘Bonjour Elza!

Oude bekenden die ze minzaam, maar kordaat afwimpelde.

Nu werd ze negentig, een getal dat in haar ogen al te veel grenzen had overschreden. Maar na al die jaren was ze er nog en daar kon ze mee leven. Een porto op de middag, op geregelde tijdstippen het haar verven, want dat grijs vond ze er te veel aan. En tijd en boterhammen.

Tijd.

En boterhammen.

The pain cave

Ooit sprak Peter Sagan, de wielrenner, tijdens een interview over zijn ‘pain cave’, de plek in zijn hoofd waar hij naartoe gaat wanneer hij fysiek extreem diep moet gaan. Het moment van holle duisternis, waarin er alleen nog plaats is voor pijn. Pijn die geen ruimte overlaat voor overpeinzingen, die hem slechts in staat stelt om toch te blijven doorgaan. Het is de plek in zijn hoofd waar hij naartoe gaat als er niks meer is, waar datgene zich bevindt wat achter het niks ligt. Doen en gaan. Omdat hij weet dat het kan.

Zo’n pain cave is, spoiler alert, sterk aan te raden.

Reflecteer over uw daden, laat los en wees u bewust van waar u mee bezig bent. Het zijn mantra’s die zich vandaag als oorwormen naar binnen werken, langs radio, televisie, uw favoriete hipster koffiebar en de social events die u frequenteert. Kom los van dat leven met zijn nijdige tempo en denk na over wat u écht wil. Uiteraard is het passend om hierbij aan yoga en mindfulness te doen.

Het is een catch 22. Al dat reflecteren leidt tot complete stagnering, zelfverheerlijking en naïviteit. U geraakt geen meter vooruit, want alles moet zinvol zijn en elke stap die u zet, hoort een vlucht te zijn, weg van het nijdige tempo, dichter bij uzelf, wie dat ook mag zijn.  Dat weet u zelf niet. Een stap dichter bij uw droom. Geen pain cave, maar een roze wolk die bij klaarlichte dag telkens opnieuw uit elkaar spat. Shit happens, then you die.

Ik verklap u graag een geheim. Life is better in the pain cave. Begrijpt u me niet verkeerd. Ik verkeer niet in een constante staat van verlammende fysieke of mentale pijn. Ik heb geen radio, noch televisie, geen hipster koffiebar in mijn nabije omgeving en reflecteer betrekkelijk weinig. Ik heb ook geen psychedelische yogapants en heb iets tegen quotes van Rumi. Ik woon sinds kort op het platteland van Tanzania, ziet u. En daarvoor was ik in Noord-Thailand. Nu het vierde jaar weg uit het moederland.

Op beide plekken ben ik terechtgekomen zonder veel overpeinzingen, door een aantal simpele acties te ondernemen die op geen enkele manier deel uitmaken van een groot masterplan. Roekeloos of impulsief? Nee, het is die pain cave.

Ik was ooit wel eens eigenaar van een huis en had, wat men in het westen een ‘regulier’ leven zou noemen. Lang dacht ik dat ik dat had omdat ik daar hard over had nagedacht en tot de zelfstandige beslissing was gekomen dat dat was wat ik wilde. Maar vergis u niet. Het hoofd misleidt u constant. Laat u dingen denken die helemaal niet van u zijn.

Ik ben uiteindelijk gestopt met dat reflecteren en maatschappelijk bewustzijn.

Aanvankelijk leidde dit tot enige verbijstering, het besef dat er eigenlijk weinig overblijft, eenmaal men zich loswerkt van de conformistische structuren waarvan men denkt dat men ze nodig heeft. En het klopt, er is niks, er blijven slechts de verwachtingen die je bij jezelf legt. Ook dat is de pain cave. De plek in je hoofd die leegte geeft en die twee mogelijke uitkomsten biedt: het licht uitdoen en om Prozac smeken of handelen. Simpelweg dingen doen. Een optie al dan niet kiezen, doen en daaruit dan weer andere opties nemen of links laten liggen. Er komt betrekkelijk weinig gereflecteer aan te pas. Wat overblijft zijn acties die verbonden zijn aan een interne drijfveer, wars van externe omstandigheden. En veel ruimte om bepaalde verwachtingen van jezelf, niet van anderen, te stellen.

Het bracht mij in Noord-Thailand en ik bleef er drie jaar. Het bracht mij nu in Tanzania. Geen eigen huis, geen kind of wederhelft, ik ben mijn eigen compagnon de route. De banden die ik heb, zijn gesmeed met anderen die ook een pain cave hebben. Zij die het besef hebben dat vooruitgang ligt in een gestaag tempo en eigen fysieke of mentale grenzen verleggen. Dat maatschappelijke normen en structuren illusoire constructies zijn voor zij die graag voor-gedacht worden.

Sinds ik mijn pain cave bewoon en achter het niks reik, ben ik verder geraakt dan ooit. Ik heb niet getimmerd aan een carrière, noch aan een tuinkot bij een mogelijks halfopen bebouwing in Vlaanderen. Ik ben echter verhuisd naar Azië, dan naar Afrika, ben aan triatlons en een boek begonnen. Ik heb het niet druk. Waarom? Omdat het mogelijk is.

Denk daar maar eens over na. Maar niet te hard.

 

The pain cave volgens Hans Teeuwen: Het sprookjesbos