Ethiopië // het moederland

Ze komt uit Ethiopië, opgegroeid ergens tussen Addis Abeba en Adama, ze weet het niet precies. Ze is elf, denkt ze.
Aangekomen in een nieuw land, met een nieuw paspoort, een nieuwe moeder en vader; met een verweerd koffertje in de rechterhand en veel bagage in haar hoofd .

Die bagage uitpakken was een moeilijke klus. De inhoud van het koffertje paste op één schap, maar de rest, de rest paste nergens in. Er zou raar worden opgekeken, me zou het niet begrijpen, die berg bagage. Onder het bed leek een goeie plek.

Ze sprak Amhaars, een van de oudste talen ter wereld. Korte klanken gleden tussen haar tanden, wervelden langs de binnenkant van haar wangen, lippen af en toe getuit. Een sappig Semitisch, rijkelijk ondersteund door zacht heupgewieg, een felle blik in de diepdonkerbruine ogen en handen die kringen maken in de lucht. Welsprekend, en toch onbegrepen.

In de nieuwe wereld lichtten de gezichten op, merkte ze, maar anders dan waar zij vandaan kwam. Het licht kwam niet van binnenuit, het was de reflectie van een scherm. Ze ontdekte de machine die achter de reflectie zat en ze zag zichzelf: op YouTube, denkbeeldig dansend op de jazztonen van Mahmoud Ahmed.
Ze zag de mythische berg Ras Dashan, het Hoogland en de Nijl. Ze zag thuis en verder nog, gekrompen tot schermgrootte.

Langzaam, stukje bij beetje, vertelde ze wat ze wist, met klanken, met handen en voeten. Ze vertelde de mensen over het land, de dieren. Ze bleef zachtjes heupwiegen terwijl ze sprak, als een schip deinend op de zee, en ze haalde haar bagage voorzichtig van onder het bed. Haar gezicht lichtte op zonder scherm. De verhalen baanden zich een weg naar haar familie in het hier en nu.

Amhaars bleek echter niet genoeg, het schoot tekort in deze nieuwe wereld.  Amhaars was haar moeder-taal, zei men. Vreemd, vond ze, want haar moeder had geblonken in afwezigheid; haar taal, die kwam van het land, de mannen rond de tafel op het dorpsplein, de half geopende ramen van keukens bevolkt door moeders en deuren op een kier. De taal van het moederland, de moederlandse taal.

Maar nu moest een andere taal zich aandienen om konde te doen van wat in haar hoofd zat. En om te overleven in de nieuwe wereld.

Engels, want dat sprak haar nieuwe paspoort, haar nieuwe moeder, vele kinderen in haar nieuwe school.
En ze leerde Engels: in de klas waar ze een koeterwaals sprak dat alleen haar medestudenten begrepen (ook zij klonken vreemd: zij kwamen uit China en Korea, landen die ze uit de atlas van de dorpsschool kende); aan tafel tijdens de middagpauze, op de schoolboerderij, op de looppiste waar ze als een gek op rende op maandagavonden tijdens de atletiektraining. Tijdens het lopen, steeds voorop, in ‘pole position’, zoals de coach zei (dat begreep ze niet, zolang ze maar voor de anderen uit kon rennen). Tijdens het lopen prevelde ze de nieuw geleerde woorden van die week, als een mantra dat haar loopritme bepaalde.
‘Beautiful, chair, laptop, farm, mummy, ice-cream.’ 
Tijdens elke training kwamen er een aantal woorden bij.

Het heupwiegen en de cirkelende handen, dat bleef ze doen, ook in het Engels. Het was als ademen, onmogelijk om ermee te stoppen.
En ze zei haar naam met een rollende r die steevast voor een lichte trilling bij de toehoorder zorgde:
‘Hello, I am Mebrate, I am from Ethiopia, a beautiful country in Africa.’

Voor altijd bleef ze haar moederlandse taal spreken, met haar ogen en haar lichaam.

De vertelling van de sprakeloze man

Er waren eens mensen. Ze ploegden door de dag en sliepen door de nacht, want dat was hoe ze het hadden beslist. Wanneer de zon scheen, spraken ze van ‘dag’, wanneer de maan bleek aan de hemel schitterde, spraken ze van ‘nacht’.

De mensen probeerden de dingen die ze zagen te benoemen met woorden en na een tijd zochten ze zelfs woorden voor de dingen die ze niet zagen. De mensen werden erg goed in het ontwerpen van taal om hun illusies te voeden. Waar ook ter wereld, de mensen waren overal erg druk bezig met wat ze taal en woorden noemden.

Sommigen verloren jammer genoeg hun realiteitszin omdat ze verblind werden door de woorden en de valse beloften die deze woorden met zich mee brachten. De meesten onder hen begonnen misbruik te maken van taal. Met woorden probeerden ze andere mensen te misleiden (ze probeerden dit ook met dieren, maar dat lukte niet zo goed). Ze bouwden luchtkastelen die uit elkaar spatten onmiddellijk na het uitspreken van de woorden. Zowel zij die misleidden als zij die misleid werden waren even naïef en zaten vast in een Viscieuze Circel van Woorden. Woorden. Woorden.

Andere mensen maakten van taal hun werk en leven, taal werd het onderwerp van hun academisch onderzoek, hun studie. Ze gebruikten taal om boeken, essays, poëzie … te schrijven. Ze hielden van dat spelen met woorden tijdens het schrijven and ze poogden vruchteloos de waarheid te vinden en de wereld om hen heen te begrijpen door te schrijven, te lezen en te debatteren. Taal en woorden waren al wat ze hadden. Ze konden niet beter. Sommigen leerden zelfs verschillende talen in de hoop zo dichter bij de waarheid te komen. Ze hadden ongelijk en ze wisten het. Toch bleven ze proberen. Men zou kunnen zeggen dat de schoonheid ligt in hun voortdurende zoektocht naar de waarheid via woorden, hoewel ze wisten dat ze hun doel nooit zouden bereiken. Het was een beetje als het bouwen van een ingenieuze en slimme raket om naar de zon te vliegen, vooraf goed wetende dat de raket vuur zou vatten lang voor ze nog maar haar doel zou naderen. En toch willen vliegen.

Maar hoog in de bergen, verborgen in de wolkenslierten, woonde een mens die woorden noch misbruikte, noch gebruikte. Hij sprak helemaal niet. Niemand had ooit zijn stemgeluid gehoord en hij wist zelf niet hoe hij klonk. Wat zichzelf betrof was het niet nodig om een ‘klank’ te hebben, laat staan woorden te spreken. Woordenspraak is enkel voor de spreekwoordelijke blinden, zij die leven van en voor de illusies. Hoewel hij een sprakeloos leven leidde, las de man boeken, massa’s boeken. Hij had er een persoonlijke levensdoel van gemaakt om, via boeken, zo dicht mogelijk bij de waarheid te komen. Hij wist dat ook dat een illusie was, maar toch hield hij van de schoonheid van woorden: lettergrepen, alliteraties, acroniemen, homofonen… Zijn favoriete tijdverdrijf naast lezen was het maken van neologismen. De sprakeloze man luisterde naar hoe zijn creaties klonken in zijn hoofd. De muziek deed hem glimlachen. De muren van zijn kleine houten berghut waren van onder tot boven behangen met boeken. Alles wat de sprakeloze man ooit had gelezen, was opgestapeld tegen de wanden. De gigantische torens van boeken bedekten elke centimeter. De sprakeloze man was omringd door miljoenen en miljoenen woorden. O ironie!

Op een dag besloot hij op tocht te gaan. Hij vulde zijn rugzak met boeken en een tandenborstel en nam het pad dat van aan zijn hut naar beneden de vallei in kronkelde. Na een aantal dagen bereikte hij het eerste dorp in de groene vallei. Hij stak de rivier over via de enige brug van het dorp en liep de hoofdstraat in. Het was een afschuwelijke ervaring. Het lawaai van de dorpelingen was oorverdovend, volkomen ondraaglijk voor de sprakeloze man. Hij was zo van stuk dat hij ter plekke neerzeeg. Hij zette zijn rugzak naast zich neer en bleef zitten op de stoeprand tussen het tweede en het derde huis.

Na een aantal uur besloot de vrouw die in het tweede huis woonde een kijkje van naderbij te nemen. Ze verliet haar rode bakstenen huis en doorkruiste haar voortuin die werd gesierd door geraniums en dwergkabouters. Haar nieuwsgierigheid had haar angst voor de vreemde overtroffen en ze naderde de man die sinds de middag met zijn handen over zijn oren gedrukt op haar stoep zat. Hij had die hele tijd niet bewogen. De vrouw begon te praten: een woordenwaterval kwam uit haar mond en ze probeerde alle talen die ze kende, tevergeefs. De sprakeloze man bleef sprakeloos. Het leek nochtans alsof hij haar begreep, maar toch zweeg hij. De vrouw werd nerveus en achterdochtig.

Ze besloot hulp te halen en algauw verschenen een dozijn dorpelingen die de sprakeloze man op de stoep omsingelden. Ze stonden in een kring rond hem, maar kwamen niet te dicht, want ze vertrouwden het niet helemaal. Een volwassen man die urenlang met de handen over de oren, als een kind dat niet wil luisteren, op een stoep zit, daar is iets mee. De dorpelingen spraken alle talen van wereld tot de man, maar niks hielp. Hij bleef zwijgen. Uiteindelijk gaven ze het één voor één op en gingen naar huis. Sommigen hielden lang vol met een mengeling van nieuwsgierigheid en angst. Ze vertrokken allemaal, op één man na. Hij leek wel honderd jaar, met zijn lange grijze haren en dito baard. Zijn ogen waren bijna-transparant grijs en gaven hem daardoor een glazige, maar tegelijkertijd indringende blik. Hij had een stok waarmee hij zijn linkerzijde ondersteunde.

Wanneer hij eindelijk alleen was met de sprakeloze man, maakte hij het universele gebaar van stilte door zijn knokige rechter wijsvinger voor zijn mond te houden. Een glimlach verscheen op het gezicht van de sprakeloze man. Eindelijk iemand die hem begreep. De grijsaard kwam dichterbij en liet zich neerzakken naast de woordeloze man. Hij wees naar de rugzak en de sprakeloze man toonde hem de inhoud. Nu begon de grijsaard op zijn beurt te glimlachen. Hij mompelde iets onverstaanbaars, richtte zich op, ondersteund door zijn stok en wandelde traag in de richting van zijn huis, iets verderop. De sprakeloze man bleef zitten, overtuigd dat de grijsaard zou terugkomen. Kort nadien zag hij de oude man zoals verwacht opnieuw zijn richting uit komen. Hij hield iets in zijn rechterhand en droeg een tas over zijn rechterschouder. De oude man bleek een kom soep in zijn hand en een stapeltje boeken in zijn tas te hebben. Het was een selectie van zijn favoriete boeken.

Terwijl hij de soep gretig opdronk, begon de sprakeloze man te lezen. De oude man nam een boek uit de rugzak ter hand en deed hetzelfde. Zo zaten ze langs de kant van de weg, lezend in stilte, tot de zon onderging. De oude man pakte de hand van de sprakeloze man en wees naar zijn huis. Samen liepen ze de hoofdstraat af. Vanaf die dag woonden ze in het huis van de oude man. De boeken stapelden zich hoger en hoger op tegen de wanden. Ze lazen in stilte, dag in, dag uit.

De overige dorpelingen voelden zich zo ongemakkelijk in de aanwezigheid van deze zwijgende en lezende mannen, dat ze stuk voor stuk vertrokken. Ze laadden hun hele inboedel, en dat was nogal wat, in hun pick-ups en vertrokken. Ze kwamen nooit meer terug.

Het dorp werd stil.

Elders ter wereld hoorden mensen over het stille dorp en soms kwam er iemand aanlopen. Sommigen gingen na een tijdje weg, omdat ze de voor hen oorverdovende stilte niet konden verdragen.

Anderen bleven en lazen. Ze probeerden elk zo dicht mogelijk bij de waarheid te komen, samen met de grijsaard en de sprakeloze man.

Ze leidden hun eigen leven, in stilte.

Rustig en kalm. Alleen en samen.

Soms maakten ze soep voor elkaar, soms deden ze elkaars was, goten de planten, voederden de vissen. Maar meestal zaten ze voor de haard en lazen.

Ze waren simpelweg

 

IMG_9675