Afscheid van een vriend

Drie jaar lang waren we erg dik, jij en ik. We deelden lief en leed, regen en wind, tropische hitte en zon. We bewandelden samen velerlei paden, dwars door het bos, recht naar het zuiden, noord, oost of west, smalle en bochtige bergwegen, brede en drukke hoofdstraten naar de stad.

Meestal genoten we van elkaars gezelschap in stilzwijgen, af en toe neurieden we samen. Zelden vloekten we (behalve die ene keer toen we vielen, in het bos, uitgegleden in een modderige geul), want we waren content dat we de lucht mochten proeven en het gebladerte mochten ruiken. De geur na een moessonbui, de verschroeide stank na te lang rijden in de zon.

Je hielp me met reisbagage, boodschappen van de Makro, een iets te groot uitgevallen passagier, een boot, reserveonderdelen. Je was sterker dan toen ik je voor het eerst ontmoette. Toen had je al meer dan dertig jaar tocht achter de kiezen en dat was eraan te zien. Je kreunde van de ouderdom en je miste meer dan een paar vijzen. Maar we sleurden je erdoor.

We gaven je een motortransplantatie, nieuwe velgen, een kilometerteller.

Vanaf dan behoorde je tot de categorie 200 cc, weliswaar van Lifan-makelij, niet meteen de Rolls Royce onder de motoren, maar degelijk. Betrouwbaar.

Weet je nog die keer, toen we langs de Birmese grens in niemandsland stilstonden? Tropische jungle zo ver we konden kijken. 4 mannen doken uit het niets op, één ervan een machete in de hand. Ik verschool me breeduit glimlachend achter je smalle rug. Jij, jij was vooral bezig met afkoelen na 160 km ruw wegdek. Het viertal kwam dichterbij en bleek vooral geïnteresseerd in jou. Met pretogen streelden ze je tank, liepen rondjes rondom jou. Ik bleef angstvallig glimlachen.

Of die keer, toen we plots aan de oever van de Mekong-rivier stonden. Het was valavond na een lange rit, de zon gooide zich een laatste keer vol overgave in de diepte van de Mekong en toen werd het licht duister. We stonden daar, perplex, we waren zo klein, vergeleken met die grote rivier. We werden er stil van en besloten een nacht te blijven.

In Kanchanaburi, aan de River Kwai, toen waren we trots. We hadden zoveel afstand overbrugd, jij en ik, we reden helemaal langs de desolate Birmese grens van noord naar zuid tot we er kramp van kregen. We stopten voor een ijsje, reden doorheen velden en heuvels richting de Kwai-vallei. We parkeerden aan het treinspoor en dachten aan oorlog.

Vorig jaar kreeg je rode vering. Die gaf je een ‘kinky touch’. Je kreeg plots net iets meer glamour te midden van het stof.

We hadden ontelbare lekke banden, een aantal elektrische storingen, een losgekomen bagagerek, een zoekgeraakte bout op een cruciale plek, maar we genoten 13 000 kilometer lang van elkaars gezelschap en zagen het echte Thailand, van heel dichtbij.

Om de woorden van een andere vriend te gebruiken: ‘Samen zaten we in de televisie in plaats van ervoor.’

Het ga je goed,
Je trouwe amazone
bike

Van Thailand naar Tanzania

De kogel is door de kerk, er is witte rook, de koe is bij de horens gevat.
Ik verkas naar Tanzania na drie jaar in Thailand te hebben vertoefd.

Wat een sprong, denkt u? Die is kleiner dan u zou verwachten. Allereerst blijf ik bij dezelfde letter van het alfabet en ook, eenmaal je in het internationale onderwijs terechtkomt, kan het letterlijk alle kanten op.

Vroeger hoorde ik al eens van reizigers dat er zoiets bestaat als ‘de roep van Afrika’. Ze beweerden dat eenmaal je op het Afrikaanse continent voet aan land had gezet, er slechts twee opties zouden zijn: ofwel zo snel mogelijk terug naar huis willen keren, ofwel dat hartverscheurende moment waarop je naar huis móet, terwijl alles zegt dat je daar en dan wil bijven. Ik vond het altijd wat vreemd en lichtjes overdreven. Met zelf veel te reizen heb ik heel wat plekken bezocht die ‘bleven plakken’: Kyoto, Barcelona, Angkor Wat, Gent, Annapurna. Maar nooit kwam het tot een hartverscheurend afscheid. Slechts een kleine, snel weggepinkte traan en … moving on.

Tot ik eind vorig jaar naar Zuid-Afrika en Zimbabwe reisde. Toen begreep ik het, die ‘roep van Afrika’. De geur, de ongebreidelde woestheid van de wijdse natuur, het stof, de alomtegenwoordigheid van dieren. Dat leidde tot een kleine aardverschuiving.

Toen een aantal weken geleden het aanbod om in Tanzania te gaan lesgeven uit de lucht kwam vallen, besloot ik om de roep van Afrika te beantwoorden. Zoals vogels in de bomen elkaar toefluiten, zo deden we dat ook, Afrika en ik.

Van alle plekken waar ik zou kunnen neerstrijken, is Moshi, aan de voet van de Kilimanjaro, beslist een toplocatie. Bovendien zal ik er meer dan een Vlaming en Nederlander in de Wereld tegen het lijf lopen, omdat ik er Nederlands zal geven in opdracht van Stichting NOB, Nederlands Onderwijs in het Buitenland.

Er is een relatief grote Nederlandstalige gemeenschap in Tanzania, voornamelijk omdat de Tanzaniaanse en Nederlandse overheid al jaren een goede samenwerking onderhoudt. Na Engeland is Nederland de tweede grootste investeerder in Tanzania, met name in landbouw, energie, transport en financiën.

Thailand, ik groet je! Je was fabuleus, heet, groen, divers, lekker en zoet. Ik neem graag een beetje van je mee naar de andere kant van de Indische Oceaan.

Wil u meer weten over het aanbod van Nederlandse lessen in het buitenland, neem dan een kijkje op de website van NOB.

zebras-765885_640

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in de zomereditie van hun tijdschrift, alsook op de website

De Vlaamse gaai

Er wordt stevig rondgefladderd onder Vlaamse kerktorens. Door de Vlaamse gaai, maar ook door menig Vlaming. Tot daar gaat de vergelijking op. De Vlaamse gaai heeft echter een aantal bijzondere kwaliteiten die al eens plegen te ontbreken bij de gemiddelde onder de kerktoren fladderende mens.

Allereerst is de gaai bekend om zijn felle blauw-zwart gestreepte vleugels, een atypisch voorkomen. De gaai trekt zich geen moer aan van wat zijn andere gevederde vrienden daar wel over zouden denken. Hij vliegt met borst vooruit en veren wapperend in de wind. Eat this, denkt hij.

De bijnaam van de gaai is ‘bosbouwer’. Hij bouwt letterlijk bossen en heeft een voorkeur voor eiken. Hij grabbelt een eikel vast, fladdert met het ding stevig in de snavel geklemd een goed eind verderop en stopt het in de grond. Eikels onder de grond stoppen is op zich een geniaal plan, maar het wordt nog beter wanneer daar  later een ware boom uit groeit. Een sympathieke boom die leidt tot een waar bos. Het ondernemerschap van de gaai is groot. Hij start met een kleine, ietwat risicovolle onderneming, maar zijn project groeit uit tot een groot succesvol product: het bos! VOKA zou in de handen klappen.

En ten leste: de gaai is een trekvogel. Hij doorkruist heel continentaal Europa. Bezoekt een kerktoren hier, verkent een moskee verderop en landt tijdelijk bij de agnosten. En dat allemaal zonder bang te zijn.

Meer dan een jaar geleden ontmoette ik en stoemelings een Vlaamse gaai in de rijstvelden van Mae Rim, op het platteland ten noorden van Chiang Mai. Correctie: eigenlijk is het een Waalse gaai. Laurent kwam een tiental jaar geleden vanuit Luik aangevlogen en streek neer in Chiang Mai. Hij volgde er een opleiding in traditionele Thaise muziek en nu, zoveel jaar later, is hij de trotse oprichter van Sangob Foundation, een non-profitorganisatie die als doel heeft studenten te onderwijzen in Thaise  kunsten en cultuur en permacultuur (een duurzame en natuurlijke manier van boeren). De donaties van vrijwilligers of bezoekende scholen worden integraal gebruikt om lokale financieel zwakke dorpen te voorzien van een muziekleraar die een jaar lang muziekonderwijs aan de dorpelingen aanbiedt.

Laurent, aka de Waalse gaai, trok weg, stopte een eikel onder exotische grond en heeft een spreekwoordelijk bos gebouwd.

Stop met het staren naar vermaledijde citaten die the cloud vullen en die bol staan van worden als happiness en let go (we surfen in het Engels en we citeren van de groten der aarde, dat maakt van ons wereldburgers).

Ga. Doe. Wees een Vlaamse gaai. Of een Belgische, bij uitbreiding.

Wil je meer weten over Sangob Foundation? Klik hier.

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in de decembereditie van hun tijdschrift.

14027584323_183807093f_z

Altijd vuil

In een lang vervlogen tijdperk kwam ik al eens vuil thuis van de jeugdbeweging. Echt vuil. Ik moest me uitkleden in de garage en dan liefst in een rechte lijn naar het bad togen.

De afgelopen drie jaar heeft zich tussen augustus en oktober een gelijkaardig tafereel voorgedaan. Het regenseizoen. Dit betekent: alles in volle bloei en groei, veel beestjes, schimmel in kasten en schoenen en … stortbuien. Maar ook heerlijke temperaturen, alle schakeringen van groen en fluitende vogels die na zo’n stortbui, als de zon door het wolkendek priemt, de perfecte soundtrack vormen.

Je moet tijdens het regenseizoen uiteraard ook geregeld naar buiten, maar hoe hard je ook je best doet om nattigheid te vermijden, vroeg of laat ben je uitgeregend. Meermaals en tot op het vel.

Eenmaal uit de stadsomgeving van Chiang Mai, in noordelijke richting, begint het platteland. Hier zijn geen rioleringen of andere ingenieuze afwateringssystemen. De regen zet in een mum van tijd straten en paden blank.

U denkt: ‘Een paraplu, een auto, een paar rubber laarzen en het probleem is toch opgelost?’ Die paraplu wekt de schijn van droogte, maar volstaat niet. Rubber laarzen zijn een optie. Een auto heb ik niet, ik ben namelijk een ‘motard’. Dat laatste zorgt dus voor de nodige smeerlapperij in dezer dagen en leidt tot het telkens opnieuw uitkleden aan de voordeur.

Ik zweer daarom bij drie kledingstukken en kies functionaliteit boven stijl. Wanneer ik op pad moet met de moto draag ik steevast dezelfde donkergrijze, sneldrogende broek. Ik kan ze oprollen tot boven de knie en kom ik op mijn bestemming aan, dan rol ik ze opnieuw af en zie er toch nog redelijk respectabel uit. Met vochtige doekjes wrijf ik het vuil van benen, armen, hals en gezicht.

Daarnaast draag ik een ‘KW’, oftewel een lange regenjas die eruitziet als een oliejekker voor vissers op de Noordzee. Armen en benen blijven niet gespaard, maar ik slaag er wel meestal in om mijn romp droog te houden, op voorwaarde dat ik een extra kort regenjasje onder het lange exemplaar draag. Het ding staat in een mum van tijd stijf van het vuil. Afschuur- en wasbeurten brengen nog weinig zoden aan de dijk.

En ten slotte, met de nodige schaamte: Crocs. U kent ze wel: van die rubberachtige, totaal stijlloze, maar oersterke en waterbestendige ‘sandalen’. Ik ben erin geslaagd om een paar te vinden dat er toch net niet té aandoenlijk uitziet en dat paar draag ik dus drie maanden aan een stuk, telkens ik op pad moet.

Het behoeft geen illustratie: de vormeloze broek, de lange bedenkelijk uitziende regenjas en de Crocs. Pure survival waar fashionista’s een hartaanval bij zouden krijgen, maar bijzonder effectief in de actuele omstandigheden.

Mijn voeten zijn gedurende het hele regenseizoen echter wel fijn gepedicuurd, inclusief een stijlvol vleugje nagellak. Kwestie van de gratie niet helemaal te verliezen.

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in het najaarsnummer van hun magazine.

FullSizeRender

Van de dood enzo

Er was iemand doodgegaan.

Gelukkig voor Moeder Aarde gebeurt dat doodgaan elke dag, continu, hoewel de schaal nu gevaarlijk overhelt naar de andere kant.

Zolang ik het maar niet ben, noch dat baren, noch dat sterven.

Locatie van het doodgaan was Noord-Thailand, ver weg van kerken, boetedoening en zonden. ’t Was eraan te zien. We gingen op een avond naar de tempel, om de doodgegane te vieren. De naaste familie en vrienden waren al vijf dagen op een rij naar de tempel afgezakt. Vijf dagen van samen chanten, anekdotes uitwisselen, eten, de occasionele tempelhond restjes voederen. Vijf dagen gezelligheid op het binnenplein van de tempel, getooid met feesttent en praalwagen met groot portret van de heengegane.

De heengegane was nu op weg naar het volgende bestaansniveau, een stap dichter bij de Verlichting. Een transfer als het ware, maar met meer brille dan de gemiddelde voetballer die van ploeg wisselt.

Voor zij die het horen donderen in Keulen: volgens de principes van de Boeddha zijn er zeven stadia in de aanloop naar de Verlichting waarvan het leven op aarde er één van is. But you can’t beat Enlightenment. De staat van Verlichting, da’s zoals chocoladefondue met aardbeien. Het wordt niet beter dan dat. Los van lijf en leden, los van het aardse zijn en de materie. Zelfs los van de leegte.

Omdat de heengegane een stap dichter bij de Verlichting was gekomen, kwamen we dus bijeen. ‘Tuupe’, om het op zijn Gents te zeggen. En dat was plezant, of eerder sfeervol en gezellig.

Het verscheiden van deze mens bleek een mooie gelegenheid om mensen bij elkaar te brengen.

Geen wanhoop, geen angst, geen knievallen, geen priesters die aanspoorden tot boetedoening, tot de hand in eigen boezem steken en koste wat kost schuld proberen hebben aan iets of iemand. De gemiddelde uit katholieke klei getrokkene zou er ongemakkelijk van worden. Men zou zelfs kunnen denken dat de gezelligheid niets anders dan het voorgeborchte moest zijn. De hel, daar moest het feest ten slotte helemaal losbarsten. Dansen en zingen! Onaanvaardbaar. Onbegrijpelijk ook.

Waar geen lijden is, is geen leven. Waar geen bittere tranen zijn, is geen respect. Waar geen schuld is, kan geen god zijn. Hij heeft ons verlaten.

Terug naar de tempel, waar het lichaam nog een paar dagen in bewaring wordt gehouden. De heengegane heeft het genoegen om pas binnen twee dagen zijn geest te bevrijden uit zijn lichaam. De crematie vindt namelijk op het einde van de week gezelligheid plaats. Twee lange, onfrisse dagen voor de man in kwestie, maar alles bij elkaar genomen het wachten waard. Ik zou het ervoor over hebben.

Intussen zitten wij hier wel, op die aardkloot, een paar treden lager op de ladder dan de heengegane. Te wachten. We kunnen maar beter alvast beginnen dansen en zingen en het feest niet te lang uitstellen.

Marcel Proust had dat ook begrepen:

Om de werkelijkheid tot iets draaglijks te maken, moeten wij een klein aantal dwaasheden in onze gedachten levendig houden.’

IMG_1517

Klagers aller landen

April en mei in Noord-Thailand betekent verzengende hitte. Een zwembad, een koude douche, liters ice tea. Niks kan soelaas brengen. Heet is heet. En toch is het oké. Ik ben vrijwillig naar hier verhuisd. I deal with it.

In maart was er het smokey season, ook niet om mee te lachen. Rook, smog, damp, dagen aan een stuk. Geen weer om buiten te komen. In december was het ’s morgens en ’s avonds koud. Temperaturen zakten tot 5 graden in de bergen. Dit zijn de tropen. Het is hier verdikke veel te koud.

Van augustus tot eind oktober was er het regenseizoen. Forse regenbuien, schimmel op de muren, overstromingen. Niet te doen.

In het Land van de Eeuwige Glimlach is het voor sommige buitenlanders onleefbaar. De lokale bevolking heeft volgens hen geen reden tot glimlachen. Toestanden hier: elektriciteit die af en toe uitvalt, het verkeer is te traag, vakmanschap is ver te zoeken, dienst na verkoop bestaat hier niet. Kwaliteitsvolle producten zijn onvindbaar.

De klagers zijn echter vrijwillig naar hier gekomen. Ze verlieten hun eigen land, op zoek naar groener gras, om hun droom in vervulling te laten gaan. Ze kwamen van ver: Australië, Engeland, de States, Frankrijk, Zuid-Korea. Hun thuisland had hen niks meer te bieden: het leven veel te duur, de mensen te zuur, de belastingen te hoog, te koud, te warm. Maar hier, in Thailand, hier ging het leven hen toelachen. Alles ging beter zijn.

Als een kat die haar eigen staart probeert te vangen, wordt geklaagd in de aanloop naar het vervullen van de droom. Wat in het thuisland misliep, daar wordt nu, aan de andere kant van de aardkloot, hevig naar verlangd. Men denkt alvast aan de volgende bestemming: Hong Kong? Oman? Parijs? Pro’s en contra’s worden afgewogen, plannen gesmeed. Intussen regent het hier, is het bloedheet, loopt het verkeer vast. De apocalyps is nabij. Klagers klagen waar dan ook, over wat dan ook. Het is een full time job, een levenswerk.

Ik hou van de geur na een fikse tropische regenbui, ik glimlach bij de verkeersstrapatsen in Chiang Mai, geniet ervan als ik een trui kan aandoen op een frisse ochtend in december. In het zwembad dobberen bij 40 graden op zondagnamiddag, brommeren langs de grens met Birma en niemand tegenkomen.

Ik hou ook van Gent, de boekenmarkt op de Ajuinlei. Spaghetti in de Vooruit, het NTG, het Paard van Troje voor een goed boek. Het Sint-Goriksplein in Brussel, het jaagpad langs de Maas tussen Namen en Dinant. Schoon.

Maar ik ben toevallig in Noord-Thailand terechtgekomen. Vrijwillig. Het gras is hier groen, maar niet groener dan elders. Anders groen. Het is hier goed.

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in de zomereditie van hun tijdschrift.

IMG_7410

Tussen Gent en Oudenaarde – België

IMG_0644

Tussen Chiang Mai en Chiang Rai – Thailand

7 Eleven Heaven

Mensen houden van zekerheden: het weer, datzelfde gerecht in hun favoriete restaurant telkens opnieuw, de illusionaire beloften der politici en de honger in Afrika.

Die zekerheden zorgen voor een gevoel van veiligheid, van houvast, van weten wat er morgen komt en nog niet te hoeven sterven. Dit geldt waar dan ook ter wereld, van de Dorpsstraat in Scheldewindeke tot de kleinste Soi* in een Moo Ban** in Thailand.

Toen ik nog in België woonde was het frietkot een waar symbool van zekerheid. Het kleinste plattelandshol had een frietkot. Het aanbod varieerde wel naargelang de regio: ‘mitrailetten’ in Brussel, gerookte paardenworst in Gent en carbonade in Namen. Maar overal friet, zelfs in het holst van de nacht.

(Vele goeie nachtelijke herinneringen heb ik aan ‘Frituur André’, een monument van een frietkot op het stationsplein in het Vlaams-Brabantse Ternat. De herinneringen dateren uit de tijd toen een kot nog een echt ‘kot’ mocht zijn: op wielen, verplaatsbaar en al, inclusief frituurolie van bedenkelijke kwaliteit.)

Vanuit diezelfde universele nood aan zekerheid werd in 1927 in Dallas, Texas, het eerste filiaal geopend van wat later de wereldberoemde 7 Eleven ‘convenience store’ zou worden (de vertaling ‘gemakswinkel’ wens ik niet te gebruiken, om overduidelijke redenen). Geen friet voor de gringo’s, maar wel sausage rolls, ingeblikte baked beans en Budweiser. Een zaligheid te weten dat wanneer en waar dan ook in de States diezelfde producten geconsumeerd konden worden.

Het bedrijf kende ups en downs in zijn groei als multinational en werd eind jaren negentig overgenomen door een Japanse maatschappij, met als resultaat dat overal in Azië 7 Eleven een onvermijdelijk onderdeel van het straatbeeld is geworden. Zelfs China is gezwicht en dat wil wat zeggen.

De vervulling van het universele verlangen naar zekerheid heeft in Thailand alleen al geleid tot 7816 (in 2014) 7 Eleven winkels!

Die overweldigende aanwezigheid moet ongetwijfeld, net als het Belgische frietkot, finaal komaf hebben gemaakt met de fundamentele onzekerheid waarmee de bevolking worstelt. Dat beetje angstige twijfel dat af en toe toch nog de kop opsteekt, daar wordt vakkundig mee omgesprongen via de pragmatiek van het Thaise boeddhisme. Niet verwonderlijk dat Thailand ‘het land van de eeuwige glimlach’ wordt genoemd.

Waar ik woon, een dorp niet ver van Chiang Mai, zijn alleen al in een straal van twee kilometer vier 7 Elevens te vinden.

Het frietkot heb ik zonder probleem ingeruild voor deze convenience stores.

In het diepste donker van de nacht kan ik, als een baken, de groen-rood-witte lichtreclame zien oplichten.

Mijn toekomst is verzekerd, mij kan niets overkomen, want ik woon in 7 Eleven Heaven.

*Soi = Thais voor ‘steeg’

** Moo Ban = gehucht met huizengroep

IMG_0553

Een van de vier 7Elevens in Mae Rim

Deze column werd geschreven in opdracht van ‘Vlamingen in de Wereld’ en is gepubliceerd in de februari-editie van hun magazine. 

‘Mother tongue’ and ‘modern’ in Mae Salong

Part 1: Mother tongue

December, winter in Thailand. It is a sunny day with a pristine blue sky, but it is chilly in Mae Salong. All sorts of greenery is reflecting from the mountain sides, curvy and windy roads provide  fun during the ride. This is the perfect motorbike ‘getaway’.

Mae Salong is a Chinese settlement in the far north of Thailand, close to the Burmese border. The village consists mainly of Chinese ‘Kuomintang’, who fled China in the late 1940’s. They wanted to fight the communist regime, but that turned out to be quite hard from within China. So they settled in the Thai mountains of the north.  Life was cold and rough and there was more to life then just fighting the regime, so the villagers looked for a lucrative way of spending their time (when they were not fighting the system).

Chinese have been well-reputed businessmen for thousands of years, not without reason. The Kuomintang decided to get involved in the opium business. The cold, rough but sunny mountainous climate appeared to be perfect for growing opium. Moreover, because of being located so close to Laos, Burma and China with the Mekong river at the feet of the mountains, it would be easy to trade (‘smuggle’) with and through the neighboring countries.

This was not just the cunning plan of the Kuomintang, but basically every living soul in the area at that time. And what about the Thai authorities? How did they react upon the arrival of the Chinese and a bit later, their ambitious business plans? ‘Mai pen rai’, the authorities and surrounding hill tribes thought. They were happy that finally someone was brave enough to fight the communists, something they had been trying to do for a long time. ‘The more, the merrier’, they thought! And that whole opium business? The friendly and ever-smiling Thai didn’t want to upset their new allies. ‘Let’s just ignore that opium stuff’ (as long as we get to smoke from time to time).

Things changed dramatically in the 1980’s, but hey, that’s 30 years later and a different story.

The Kuomintang are still numerous nowadays in Mae Salong, but they shifted their business from opium to tea and coffee, hence all the tea houses up and down the main road. Interesting detail: Mae Salong has got a church, a mosque and a variety of temples that represent a variety of religions. And no terrorists.

I decided Mae Salong was interesting and authentic enough to spend a day and a night (a night that only cost me 100 THB, just sayin’..). I parked my bike, checked in and went for a walk, a walk that soon caused great confusion in my language-sensitive head. All signs were written in Thai, Chinese and sometimes Burmese.

English is no longer a ‘lingua franca’ in this region, so I tried my limited Thai vocabulary on a few locals. Not the most successful attempt: either they spoke Chinese or a local dialect, as is the case with all hill tribes up here: Lisu, Lahu, Karen. You name it, I cannot understand a word.

This peculiar language situation reminds me very much of Flanders, Belgium, my own Hinterland.

Yes, I am Belgian, but guessing what my mother tongue is, would be a tricky thing to do. It could be either French, German or Dutch. It’s the last one, but I also speak the other two. This multilingualism can be most amusing when I overhear conversations in one of the former mentioned languages and people are convinced no one understands them. The rudeness!

Belgium’s linguistic history is too complex and too incomprehensible for a normal human being, I will not elaborate on this. To cut things short: I come from a region where people would punch each other in the face – hang on, that’s an understatement: where people would KILL – when the wrong language has been used. So far I never got killed, but things could change dramatically after I have published this column.

My mother tongue is Dutch, but here’s the thing: I read books in 4 different languages, I write and think in English most of the time, I love speaking French with one of my colleagues, ‘hello’ naturally became ‘sabaidee kha’ (Thai for ‘hello’) since I live in Thailand. Does this mean I am losing my mother tongue? No. On the contrary, Dutch is my ‘foundation’, as a matter of speaking. I know my grammar and spelling, I have a broad vocabulary. All of these mother tongue aspects help me to be more proficient in the other languages I use. It also helps me to understand the complex language situation in the Mae Salong region.

If you would ask some of the students in our international school about their mother tongue, your question would be followed by a long silence. Some of them wouldn’t know. They grew up in international boarding schools, have switched countries (and thus languages) numerous times, they do not spend a lot of time with their families who speak their first language. Mother tongue becomes a very abstract and even non-existent thing for them. Language is a melting pot, a ‘ratatouille’, to use a French word. Anything wrong with that? At first sight, I would say no. Language purism is a very outdated concept. Because we travel, we mingle and we even enrich languages by mixing them. But if you look at these student’s language awareness more closely, there is a downside. Their house has no foundation. Often, there is not one language they master really well. Their proficiency is average in all the languages they use: poor writing in one, bad reading in another, scattered speaking in a third.

Am I predicting the death of mother tongues? I am not sure. We are still far away from that point, but we travel. We mingle. We move to different places. Although fundamentalists of all sorts would like to see things differently, our cultures and languages and traditions become a more symbiotic whole.

I am just taking a giant leap into the future when there would be the possibility of one big ‘monolingual symbiotic mother language’. This reminds me very much of the film ‘Code 46’, that dares to go more than one step further than I do.

As long as there is religion, people will still have enough to fight for.

I am not pleading for a long lost paradise where we only master one language. I am pleading for language awareness and education as a strong foundation to become a proficient ‘multi-lingualist’.

I still dream in Dutch. If I wouldn’t have a mother tongue anymore, would I then dream in different languages or would my dreams be speechless?

Part 2: Modern

Mae Salong has got a very rural and authentic look, except for one little place on the main road, called ‘Sweet Mae Salong’. This is a ‘hipster proof’ cafe that serves great cappuccino.

I fell into the trap of the hipster place. Mea Culpa, just to save my soul : I eat rice with the locals, go shopping in the local market, don’t stay in places that have the word ‘resort’ in it, explore dusty roads where tourists don’t come and shake hands with the elderly guy at the gas station. My motorbike is a 30 year old Honda with a Lifan engine and an eclectic collection of spare parts.

But I drink cappuccino in the hipster place..

 

This cafe is a little off the wall in the middle of one of the most rural parts of Thailand.

It is a fact that none of the villagers have ever set foot in the cafe. They probably look at it with a little suspicion or maybe even disbelief. As if they would have seen Elvis alive and kicking.

The cappuccino is creamy, the creme brûlée of fine quality. It makes me forget the dusty mountain roads for just a while.

There is no doubt that the villagers would ever set foot in this place. ‘Farangs’ (Western people), on the contrary, hurry inside to get a seat that overlooks the valley. While I am sipping from my cappuccino staring at my dusty bike boots, 2 families, clearly from the U.S. of A, are entering the premises.

The families are from the sort that uses the word ‘like’ at least once in every sentence. You would wonder how and why these people end up in a settlement like Mae Salong. Why do they drive all the way up into the mountains (with their Toyota Fortuner) to visit a remote and dusty village that is rather difficult to access? Easy: these people are expats, living in Bangkok. They celebrate Christmas with visiting friends or family. Bangkok is exotic, but not exotic enough anymore. They want to show their visitors the ‘real’ Thailand, where people still live ‘like’ hundred’s of years ago. So they decide to take their four wheel drive up the mountains. They stay in the one resort that Mae Salong has to be able to wash the dust off their faces a few times a day with white towels that have the resort logo embroidered on them. They visit the temple on top of the mountain, so they can use all the lenses they bought together with their expensive Nikon camera. They also drink cappuccino in ’Sweet Mae Salong’.

Ordering coffees goes in convincing American English. These people still have a mother tongue and proud of it! In this case, their language is the symbol of their arrogance.**

The families wear Gucci flip flops, Festina watches, expensive linen shirts and they ‘hashtag’ every move they make. This is not product placement, I am afraid this is reality.

While the families marvel over their cappuccinos, I stare even more intense at my dusty bike boots and I feel deep shame. I pay my coffee and creme brûlée, get out as fast as I can and walk down the road onto a dusty path that goes down, straight into the woods.


** For the record: this column has been proofread by an American, but not a ‘pure blood’ one: an American with Italian roots who has been living in Thailand for more than 12 years and is fluent in Thai. In his case, his English is not a symbol of his arrogance, on the contrary. He wears his mother tongue as a humble cloak.

IMG_9744

Cappuccino and crème brûlée in Sweet Mae Salong

IMG_9730

Tea and coffee in the hills of Mae Salong

IMG_9740

Thai – Chinese signs in Mae Salong

Doen

Na ongeveer anderhalf jaar in Zuidoost-Azië is de snelheid waaraan de mens in het Westen zichzelf probeert in te halen, een ver-van-mijn-bed-show geworden.

Zekere films moeten gezien hebben, steden bezocht, keukens van foodies geproefd, concerten meegepikt, een stap verder op de carrièreladder gezet, een auto gekocht, een huis verbouwd, een droom in vervulling doen gaan.. Het is lachwekkend, want hier, aan deze kant van de globe en te midden de rijstvelden, zijn die keuzes niet onmiddellijk voorhanden. En, o verrassing, het maakt geen enkel verschil. Het leven is er niet slechter op, de kennis niet magerder, de vooruitgang niet minder achteruitgang. En om de laatste illusie te verijdelen: de droom is niet in vervulling gegaan, noch aan deze, noch aan gene zijde.

Er is echter meer stilte, meer pauze. Vermoedelijk adem ik ook een aantal tellen meer per dag. Het is te zeggen: tot een aantal weken geleden dacht ik dat ik al een zekere stilte had ervaren, maar dat bleek een schromelijke vergissing.

[Vooraleer van die stilte te spreken, eerst kort een aantal andere luchtbellen doorprikken:

In datzelfde Westen, maar bij uitbreiding ook langzamerhand in dit Oosten, is er een enorme roze wolk die quasi iedereen benevelt, bedwelmt en zelfs het laatste restje zuurstof uit de hersenen knijpt. Het is de roze wolk die ‘je droom volgen’ en ‘loslaten’ heet. Hardnekkiger dan de smog in Beijing, doordringender dan de geur van Brusselse kaas.

Het aanbod adviserende boeken, blogs, websites en ongewenste opinies teelt wierig: ‘Hoe je droom realiseren’; ‘Hoe laat ik het verleden los’; ‘Hoe weet ik wat ik wil’; ‘Hoe vind ik mezelf’. De ene titel al ‘kaziger’  en pathetischer dan de andere. Plaatsvervangende schaamte welt op bij het zien van de quotes die menigeen te grabbel gooien om hun dagdromerijen kracht bij te zetten. Voeg daarbij de selfies van op bijzondere plaatsen die uitvoerig worden gedeeld om het publiek te tonen hoe de droom wordt geleefd. In koor wordt gescandeerd: ‘Look at us, we live the dream (please look at us)!’]

Voor alle duidelijkheid: er is geen droom te vervullen, het gras is niet groener aan de andere kant en nee, de selfies hebben géén toegevoegde waarde, ook al heeft het woord in kwestie intussen een plaats veroverd in De Dikke Van Dale.

Allemaal licht entertainment en vooral: veel kabaal. Om het alreeds aanwezige lawaai nog meer te overstemmen. Want stilte is toch niet meer van deze tijd? Tenzij op ‘retraite’ of wanneer er wordt ‘gekuurd’ om te ontsnappen aan de maalstroom van het dagelijkse leven: bij voorkeur herbronnen in een abdij van een godvergeten gat of gaan detoxen in een luxeresort. Ik zeg maar wat. Zolang het maar geld kost, die onthaasting. Daarbuiten wil men aan leegte en stilte geen vingers verbranden.

Als gezegd dacht ik dat ik hier in de rijstvelden stilte te hebben gehoord, herhaaldelijk en constant. Tot ik half oktober vertrok richting Annapurna-gebied in Nepal. Van de uitlopers van de Himalaya in Noord-Thailand tot het ware hart ervan. Om de hoek, als het ware. Maar het bleek een schokkende ervaring, alsof de platentektoniek in mijn binnenste miljoenen jaren van verschuivingen in een halve minuut herspeelde.

Ginds boven, na dagen klimmen en het landschap te zien veranderen van tropisch groen naar ’struikig’ en mossig naar rotsig en sneeuwig, daar is het stil. Oorverdovend stil. Alles is hoog en leeg.

De geografische feiten: het Annapurna-gebied omvat 13 pieken van meer dan 7000 meter. Die oorverdovende stilte en woeste kracht van de hoogte zijn het levende bewijs van de leegte en vergankelijkheid van ons doen en laten, de nutteloosheid van het zelfhulpboek, de dromen die niet bestaan en de pathetiek van de navelstaarderij.

Daar, terwijl je neerzijgt in de sneeuw en de stilte voelt wegen en naar de hemel staart, daar bewijst de berg dat het najagen van dromen en selfies volledig nutteloos en uitstekende slapstick is. Er is geen droom, er kan niks losgelaten worden, want er is niks om vast te nemen. Er is alleen maar.

Wat een deugd om die stilte gehoord te hebben, om urenlang te hebben neergezeten in de sneeuw met de Annapurna South in volle vizier. Een geruststelling ook, want het merendeel van de tijd doe ik gewoon. Er is geen plan, er zijn wel ideeën en af en toe een ‘projectje’ (om een trendy woord te gebruiken). Bij wijlen wordt er een idee uitgevoerd, maar ik hoef geen droom. Alleen contentement terwijl ik de dag doorkom.

Een beetje muzak op de achtergrond als het ware, maar geen oorverdovend kabaal. Geen woeste dromen.

Zoals Nike wijselijk al jaren proclameert: ‘Just do it’.

IMG_8654

Annapurna South – Annapurna Basecamp