Afscheid van een vriend

Drie jaar lang waren we erg dik, jij en ik. We deelden lief en leed, regen en wind, tropische hitte en zon. We bewandelden samen velerlei paden, dwars door het bos, recht naar het zuiden, noord, oost of west, smalle en bochtige bergwegen, brede en drukke hoofdstraten naar de stad.

Meestal genoten we van elkaars gezelschap in stilzwijgen, af en toe neurieden we samen. Zelden vloekten we (behalve die ene keer toen we vielen, in het bos, uitgegleden in een modderige geul), want we waren content dat we de lucht mochten proeven en het gebladerte mochten ruiken. De geur na een moessonbui, de verschroeide stank na te lang rijden in de zon.

Je hielp me met reisbagage, boodschappen van de Makro, een iets te groot uitgevallen passagier, een boot, reserveonderdelen. Je was sterker dan toen ik je voor het eerst ontmoette. Toen had je al meer dan dertig jaar tocht achter de kiezen en dat was eraan te zien. Je kreunde van de ouderdom en je miste meer dan een paar vijzen. Maar we sleurden je erdoor.

We gaven je een motortransplantatie, nieuwe velgen, een kilometerteller.

Vanaf dan behoorde je tot de categorie 200 cc, weliswaar van Lifan-makelij, niet meteen de Rolls Royce onder de motoren, maar degelijk. Betrouwbaar.

Weet je nog die keer, toen we langs de Birmese grens in niemandsland stilstonden? Tropische jungle zo ver we konden kijken. 4 mannen doken uit het niets op, één ervan een machete in de hand. Ik verschool me breeduit glimlachend achter je smalle rug. Jij, jij was vooral bezig met afkoelen na 160 km ruw wegdek. Het viertal kwam dichterbij en bleek vooral geïnteresseerd in jou. Met pretogen streelden ze je tank, liepen rondjes rondom jou. Ik bleef angstvallig glimlachen.

Of die keer, toen we plots aan de oever van de Mekong-rivier stonden. Het was valavond na een lange rit, de zon gooide zich een laatste keer vol overgave in de diepte van de Mekong en toen werd het licht duister. We stonden daar, perplex, we waren zo klein, vergeleken met die grote rivier. We werden er stil van en besloten een nacht te blijven.

In Kanchanaburi, aan de River Kwai, toen waren we trots. We hadden zoveel afstand overbrugd, jij en ik, we reden helemaal langs de desolate Birmese grens van noord naar zuid tot we er kramp van kregen. We stopten voor een ijsje, reden doorheen velden en heuvels richting de Kwai-vallei. We parkeerden aan het treinspoor en dachten aan oorlog.

Vorig jaar kreeg je rode vering. Die gaf je een ‘kinky touch’. Je kreeg plots net iets meer glamour te midden van het stof.

We hadden ontelbare lekke banden, een aantal elektrische storingen, een losgekomen bagagerek, een zoekgeraakte bout op een cruciale plek, maar we genoten 13 000 kilometer lang van elkaars gezelschap en zagen het echte Thailand, van heel dichtbij.

Om de woorden van een andere vriend te gebruiken: ‘Samen zaten we in de televisie in plaats van ervoor.’

Het ga je goed,
Je trouwe amazone
bike
Advertisements

Van Thailand naar Tanzania

De kogel is door de kerk, er is witte rook, de koe is bij de horens gevat.
Ik verkas naar Tanzania na drie jaar in Thailand te hebben vertoefd.

Wat een sprong, denkt u? Die is kleiner dan u zou verwachten. Allereerst blijf ik bij dezelfde letter van het alfabet en ook, eenmaal je in het internationale onderwijs terechtkomt, kan het letterlijk alle kanten op.

Vroeger hoorde ik al eens van reizigers dat er zoiets bestaat als ‘de roep van Afrika’. Ze beweerden dat eenmaal je op het Afrikaanse continent voet aan land had gezet, er slechts twee opties zouden zijn: ofwel zo snel mogelijk terug naar huis willen keren, ofwel dat hartverscheurende moment waarop je naar huis móet, terwijl alles zegt dat je daar en dan wil bijven. Ik vond het altijd wat vreemd en lichtjes overdreven. Met zelf veel te reizen heb ik heel wat plekken bezocht die ‘bleven plakken’: Kyoto, Barcelona, Angkor Wat, Gent, Annapurna. Maar nooit kwam het tot een hartverscheurend afscheid. Slechts een kleine, snel weggepinkte traan en … moving on.

Tot ik eind vorig jaar naar Zuid-Afrika en Zimbabwe reisde. Toen begreep ik het, die ‘roep van Afrika’. De geur, de ongebreidelde woestheid van de wijdse natuur, het stof, de alomtegenwoordigheid van dieren. Dat leidde tot een kleine aardverschuiving.

Toen een aantal weken geleden het aanbod om in Tanzania te gaan lesgeven uit de lucht kwam vallen, besloot ik om de roep van Afrika te beantwoorden. Zoals vogels in de bomen elkaar toefluiten, zo deden we dat ook, Afrika en ik.

Van alle plekken waar ik zou kunnen neerstrijken, is Moshi, aan de voet van de Kilimanjaro, beslist een toplocatie. Bovendien zal ik er meer dan een Vlaming en Nederlander in de Wereld tegen het lijf lopen, omdat ik er Nederlands zal geven in opdracht van Stichting NOB, Nederlands Onderwijs in het Buitenland.

Er is een relatief grote Nederlandstalige gemeenschap in Tanzania, voornamelijk omdat de Tanzaniaanse en Nederlandse overheid al jaren een goede samenwerking onderhoudt. Na Engeland is Nederland de tweede grootste investeerder in Tanzania, met name in landbouw, energie, transport en financiën.

Thailand, ik groet je! Je was fabuleus, heet, groen, divers, lekker en zoet. Ik neem graag een beetje van je mee naar de andere kant van de Indische Oceaan.

Wil u meer weten over het aanbod van Nederlandse lessen in het buitenland, neem dan een kijkje op de website van NOB.

zebras-765885_640

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in de zomereditie van hun tijdschrift, alsook op de website

De Vlaamse gaai

Er wordt stevig rondgefladderd onder Vlaamse kerktorens. Door de Vlaamse gaai, maar ook door menig Vlaming. Tot daar gaat de vergelijking op. De Vlaamse gaai heeft echter een aantal bijzondere kwaliteiten die al eens plegen te ontbreken bij de gemiddelde onder de kerktoren fladderende mens.

Allereerst is de gaai bekend om zijn felle blauw-zwart gestreepte vleugels, een atypisch voorkomen. De gaai trekt zich geen moer aan van wat zijn andere gevederde vrienden daar wel over zouden denken. Hij vliegt met borst vooruit en veren wapperend in de wind. Eat this, denkt hij.

De bijnaam van de gaai is ‘bosbouwer’. Hij bouwt letterlijk bossen en heeft een voorkeur voor eiken. Hij grabbelt een eikel vast, fladdert met het ding stevig in de snavel geklemd een goed eind verderop en stopt het in de grond. Eikels onder de grond stoppen is op zich een geniaal plan, maar het wordt nog beter wanneer daar  later een ware boom uit groeit. Een sympathieke boom die leidt tot een waar bos. Het ondernemerschap van de gaai is groot. Hij start met een kleine, ietwat risicovolle onderneming, maar zijn project groeit uit tot een groot succesvol product: het bos! VOKA zou in de handen klappen.

En ten leste: de gaai is een trekvogel. Hij doorkruist heel continentaal Europa. Bezoekt een kerktoren hier, verkent een moskee verderop en landt tijdelijk bij de agnosten. En dat allemaal zonder bang te zijn.

Meer dan een jaar geleden ontmoette ik en stoemelings een Vlaamse gaai in de rijstvelden van Mae Rim, op het platteland ten noorden van Chiang Mai. Correctie: eigenlijk is het een Waalse gaai. Laurent kwam een tiental jaar geleden vanuit Luik aangevlogen en streek neer in Chiang Mai. Hij volgde er een opleiding in traditionele Thaise muziek en nu, zoveel jaar later, is hij de trotse oprichter van Sangob Foundation, een non-profitorganisatie die als doel heeft studenten te onderwijzen in Thaise  kunsten en cultuur en permacultuur (een duurzame en natuurlijke manier van boeren). De donaties van vrijwilligers of bezoekende scholen worden integraal gebruikt om lokale financieel zwakke dorpen te voorzien van een muziekleraar die een jaar lang muziekonderwijs aan de dorpelingen aanbiedt.

Laurent, aka de Waalse gaai, trok weg, stopte een eikel onder exotische grond en heeft een spreekwoordelijk bos gebouwd.

Stop met het staren naar vermaledijde citaten die the cloud vullen en die bol staan van worden als happiness en let go (we surfen in het Engels en we citeren van de groten der aarde, dat maakt van ons wereldburgers).

Ga. Doe. Wees een Vlaamse gaai. Of een Belgische, bij uitbreiding.

Wil je meer weten over Sangob Foundation? Klik hier.

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in de decembereditie van hun tijdschrift.

14027584323_183807093f_z

Altijd vuil

In een lang vervlogen tijdperk kwam ik al eens vuil thuis van de jeugdbeweging. Echt vuil. Ik moest me uitkleden in de garage en dan liefst in een rechte lijn naar het bad togen.

De afgelopen drie jaar heeft zich tussen augustus en oktober een gelijkaardig tafereel voorgedaan. Het regenseizoen. Dit betekent: alles in volle bloei en groei, veel beestjes, schimmel in kasten en schoenen en … stortbuien. Maar ook heerlijke temperaturen, alle schakeringen van groen en fluitende vogels die na zo’n stortbui, als de zon door het wolkendek priemt, de perfecte soundtrack vormen.

Je moet tijdens het regenseizoen uiteraard ook geregeld naar buiten, maar hoe hard je ook je best doet om nattigheid te vermijden, vroeg of laat ben je uitgeregend. Meermaals en tot op het vel.

Eenmaal uit de stadsomgeving van Chiang Mai, in noordelijke richting, begint het platteland. Hier zijn geen rioleringen of andere ingenieuze afwateringssystemen. De regen zet in een mum van tijd straten en paden blank.

U denkt: ‘Een paraplu, een auto, een paar rubber laarzen en het probleem is toch opgelost?’ Die paraplu wekt de schijn van droogte, maar volstaat niet. Rubber laarzen zijn een optie. Een auto heb ik niet, ik ben namelijk een ‘motard’. Dat laatste zorgt dus voor de nodige smeerlapperij in dezer dagen en leidt tot het telkens opnieuw uitkleden aan de voordeur.

Ik zweer daarom bij drie kledingstukken en kies functionaliteit boven stijl. Wanneer ik op pad moet met de moto draag ik steevast dezelfde donkergrijze, sneldrogende broek. Ik kan ze oprollen tot boven de knie en kom ik op mijn bestemming aan, dan rol ik ze opnieuw af en zie er toch nog redelijk respectabel uit. Met vochtige doekjes wrijf ik het vuil van benen, armen, hals en gezicht.

Daarnaast draag ik een ‘KW’, oftewel een lange regenjas die eruitziet als een oliejekker voor vissers op de Noordzee. Armen en benen blijven niet gespaard, maar ik slaag er wel meestal in om mijn romp droog te houden, op voorwaarde dat ik een extra kort regenjasje onder het lange exemplaar draag. Het ding staat in een mum van tijd stijf van het vuil. Afschuur- en wasbeurten brengen nog weinig zoden aan de dijk.

En ten slotte, met de nodige schaamte: Crocs. U kent ze wel: van die rubberachtige, totaal stijlloze, maar oersterke en waterbestendige ‘sandalen’. Ik ben erin geslaagd om een paar te vinden dat er toch net niet té aandoenlijk uitziet en dat paar draag ik dus drie maanden aan een stuk, telkens ik op pad moet.

Het behoeft geen illustratie: de vormeloze broek, de lange bedenkelijk uitziende regenjas en de Crocs. Pure survival waar fashionista’s een hartaanval bij zouden krijgen, maar bijzonder effectief in de actuele omstandigheden.

Mijn voeten zijn gedurende het hele regenseizoen echter wel fijn gepedicuurd, inclusief een stijlvol vleugje nagellak. Kwestie van de gratie niet helemaal te verliezen.

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in het najaarsnummer van hun magazine.

FullSizeRender

Van de dood enzo

Er was iemand doodgegaan.

Gelukkig voor Moeder Aarde gebeurt dat doodgaan elke dag, continu, hoewel de schaal nu gevaarlijk overhelt naar de andere kant.

Zolang ik het maar niet ben, noch dat baren, noch dat sterven.

Locatie van het doodgaan was Noord-Thailand, ver weg van kerken, boetedoening en zonden. ’t Was eraan te zien. We gingen op een avond naar de tempel, om de doodgegane te vieren. De naaste familie en vrienden waren al vijf dagen op een rij naar de tempel afgezakt. Vijf dagen van samen chanten, anekdotes uitwisselen, eten, de occasionele tempelhond restjes voederen. Vijf dagen gezelligheid op het binnenplein van de tempel, getooid met feesttent en praalwagen met groot portret van de heengegane.

De heengegane was nu op weg naar het volgende bestaansniveau, een stap dichter bij de Verlichting. Een transfer als het ware, maar met meer brille dan de gemiddelde voetballer die van ploeg wisselt.

Voor zij die het horen donderen in Keulen: volgens de principes van de Boeddha zijn er zeven stadia in de aanloop naar de Verlichting waarvan het leven op aarde er één van is. But you can’t beat Enlightenment. De staat van Verlichting, da’s zoals chocoladefondue met aardbeien. Het wordt niet beter dan dat. Los van lijf en leden, los van het aardse zijn en de materie. Zelfs los van de leegte.

Omdat de heengegane een stap dichter bij de Verlichting was gekomen, kwamen we dus bijeen. ‘Tuupe’, om het op zijn Gents te zeggen. En dat was plezant, of eerder sfeervol en gezellig.

Het verscheiden van deze mens bleek een mooie gelegenheid om mensen bij elkaar te brengen.

Geen wanhoop, geen angst, geen knievallen, geen priesters die aanspoorden tot boetedoening, tot de hand in eigen boezem steken en koste wat kost schuld proberen hebben aan iets of iemand. De gemiddelde uit katholieke klei getrokkene zou er ongemakkelijk van worden. Men zou zelfs kunnen denken dat de gezelligheid niets anders dan het voorgeborchte moest zijn. De hel, daar moest het feest ten slotte helemaal losbarsten. Dansen en zingen! Onaanvaardbaar. Onbegrijpelijk ook.

Waar geen lijden is, is geen leven. Waar geen bittere tranen zijn, is geen respect. Waar geen schuld is, kan geen god zijn. Hij heeft ons verlaten.

Terug naar de tempel, waar het lichaam nog een paar dagen in bewaring wordt gehouden. De heengegane heeft het genoegen om pas binnen twee dagen zijn geest te bevrijden uit zijn lichaam. De crematie vindt namelijk op het einde van de week gezelligheid plaats. Twee lange, onfrisse dagen voor de man in kwestie, maar alles bij elkaar genomen het wachten waard. Ik zou het ervoor over hebben.

Intussen zitten wij hier wel, op die aardkloot, een paar treden lager op de ladder dan de heengegane. Te wachten. We kunnen maar beter alvast beginnen dansen en zingen en het feest niet te lang uitstellen.

Marcel Proust had dat ook begrepen:

Om de werkelijkheid tot iets draaglijks te maken, moeten wij een klein aantal dwaasheden in onze gedachten levendig houden.’

IMG_1517

Klagers aller landen

April en mei in Noord-Thailand betekent verzengende hitte. Een zwembad, een koude douche, liters ice tea. Niks kan soelaas brengen. Heet is heet. En toch is het oké. Ik ben vrijwillig naar hier verhuisd. I deal with it.

In maart was er het smokey season, ook niet om mee te lachen. Rook, smog, damp, dagen aan een stuk. Geen weer om buiten te komen. In december was het ’s morgens en ’s avonds koud. Temperaturen zakten tot 5 graden in de bergen. Dit zijn de tropen. Het is hier verdikke veel te koud.

Van augustus tot eind oktober was er het regenseizoen. Forse regenbuien, schimmel op de muren, overstromingen. Niet te doen.

In het Land van de Eeuwige Glimlach is het voor sommige buitenlanders onleefbaar. De lokale bevolking heeft volgens hen geen reden tot glimlachen. Toestanden hier: elektriciteit die af en toe uitvalt, het verkeer is te traag, vakmanschap is ver te zoeken, dienst na verkoop bestaat hier niet. Kwaliteitsvolle producten zijn onvindbaar.

De klagers zijn echter vrijwillig naar hier gekomen. Ze verlieten hun eigen land, op zoek naar groener gras, om hun droom in vervulling te laten gaan. Ze kwamen van ver: Australië, Engeland, de States, Frankrijk, Zuid-Korea. Hun thuisland had hen niks meer te bieden: het leven veel te duur, de mensen te zuur, de belastingen te hoog, te koud, te warm. Maar hier, in Thailand, hier ging het leven hen toelachen. Alles ging beter zijn.

Als een kat die haar eigen staart probeert te vangen, wordt geklaagd in de aanloop naar het vervullen van de droom. Wat in het thuisland misliep, daar wordt nu, aan de andere kant van de aardkloot, hevig naar verlangd. Men denkt alvast aan de volgende bestemming: Hong Kong? Oman? Parijs? Pro’s en contra’s worden afgewogen, plannen gesmeed. Intussen regent het hier, is het bloedheet, loopt het verkeer vast. De apocalyps is nabij. Klagers klagen waar dan ook, over wat dan ook. Het is een full time job, een levenswerk.

Ik hou van de geur na een fikse tropische regenbui, ik glimlach bij de verkeersstrapatsen in Chiang Mai, geniet ervan als ik een trui kan aandoen op een frisse ochtend in december. In het zwembad dobberen bij 40 graden op zondagnamiddag, brommeren langs de grens met Birma en niemand tegenkomen.

Ik hou ook van Gent, de boekenmarkt op de Ajuinlei. Spaghetti in de Vooruit, het NTG, het Paard van Troje voor een goed boek. Het Sint-Goriksplein in Brussel, het jaagpad langs de Maas tussen Namen en Dinant. Schoon.

Maar ik ben toevallig in Noord-Thailand terechtgekomen. Vrijwillig. Het gras is hier groen, maar niet groener dan elders. Anders groen. Het is hier goed.

Deze column werd geschreven in opdracht van Vlamingen in de Wereld en zal verschijnen in de zomereditie van hun tijdschrift.

IMG_7410

Tussen Gent en Oudenaarde – België

IMG_0644

Tussen Chiang Mai en Chiang Rai – Thailand

7 Eleven Heaven

Mensen houden van zekerheden: het weer, datzelfde gerecht in hun favoriete restaurant telkens opnieuw, de illusionaire beloften der politici en de honger in Afrika.

Die zekerheden zorgen voor een gevoel van veiligheid, van houvast, van weten wat er morgen komt en nog niet te hoeven sterven. Dit geldt waar dan ook ter wereld, van de Dorpsstraat in Scheldewindeke tot de kleinste Soi* in een Moo Ban** in Thailand.

Toen ik nog in België woonde was het frietkot een waar symbool van zekerheid. Het kleinste plattelandshol had een frietkot. Het aanbod varieerde wel naargelang de regio: ‘mitrailetten’ in Brussel, gerookte paardenworst in Gent en carbonade in Namen. Maar overal friet, zelfs in het holst van de nacht.

(Vele goeie nachtelijke herinneringen heb ik aan ‘Frituur André’, een monument van een frietkot op het stationsplein in het Vlaams-Brabantse Ternat. De herinneringen dateren uit de tijd toen een kot nog een echt ‘kot’ mocht zijn: op wielen, verplaatsbaar en al, inclusief frituurolie van bedenkelijke kwaliteit.)

Vanuit diezelfde universele nood aan zekerheid werd in 1927 in Dallas, Texas, het eerste filiaal geopend van wat later de wereldberoemde 7 Eleven ‘convenience store’ zou worden (de vertaling ‘gemakswinkel’ wens ik niet te gebruiken, om overduidelijke redenen). Geen friet voor de gringo’s, maar wel sausage rolls, ingeblikte baked beans en Budweiser. Een zaligheid te weten dat wanneer en waar dan ook in de States diezelfde producten geconsumeerd konden worden.

Het bedrijf kende ups en downs in zijn groei als multinational en werd eind jaren negentig overgenomen door een Japanse maatschappij, met als resultaat dat overal in Azië 7 Eleven een onvermijdelijk onderdeel van het straatbeeld is geworden. Zelfs China is gezwicht en dat wil wat zeggen.

De vervulling van het universele verlangen naar zekerheid heeft in Thailand alleen al geleid tot 7816 (in 2014) 7 Eleven winkels!

Die overweldigende aanwezigheid moet ongetwijfeld, net als het Belgische frietkot, finaal komaf hebben gemaakt met de fundamentele onzekerheid waarmee de bevolking worstelt. Dat beetje angstige twijfel dat af en toe toch nog de kop opsteekt, daar wordt vakkundig mee omgesprongen via de pragmatiek van het Thaise boeddhisme. Niet verwonderlijk dat Thailand ‘het land van de eeuwige glimlach’ wordt genoemd.

Waar ik woon, een dorp niet ver van Chiang Mai, zijn alleen al in een straal van twee kilometer vier 7 Elevens te vinden.

Het frietkot heb ik zonder probleem ingeruild voor deze convenience stores.

In het diepste donker van de nacht kan ik, als een baken, de groen-rood-witte lichtreclame zien oplichten.

Mijn toekomst is verzekerd, mij kan niets overkomen, want ik woon in 7 Eleven Heaven.

*Soi = Thais voor ‘steeg’

** Moo Ban = gehucht met huizengroep

IMG_0553

Een van de vier 7Elevens in Mae Rim

Deze column werd geschreven in opdracht van ‘Vlamingen in de Wereld’ en is gepubliceerd in de februari-editie van hun magazine.